Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15. Est autem sapientia, qu» abundat in malo: et non est sensus ubi est amaritudo.

16. Scientia sapientis tamquam inundatio abundabit, et consilium illius sicut fons vita? permanet.

17 f!or fntni auasi vas confractum,

et omnem sapientiam non tenebit.

1» Vörhnm saüiens auodcumque

audierit scius laudabit, et ad se adjiciet: audivit luxuriosus, et displioebit illi, et projiciet illud post

dorsum suum.

1Q -Narratio fatui quasi sarcina

in via: nam in labiis sensati invenietur gratia.

20. Os prudentis quauritur in ecclesia, et verba illius cögitabunt in

cordibus suis.

21. Tamquam domus exterminata,

sic fatuo sapientia: ei scienwa jjjsensati inenarrabilia verba.

22. Compedes in pedibus, stulto doctrina, et quasi vincula manuum super manum dextram.

23. Fatuus in risu exaltat vocem suam: vir autem sapiens vix tacite ridebit.

24. Ornamentum aureum prudenti doctrina, et quasi brachiale in brachio dextro.

25. Pes fatui facilis in domum

15. Er is echter eene wijsheid, die vol kwaad is1*) [; en waar boosheid is, daar is geen verstand].

16. Het inzicht van den wijze wast aan gelijk een watervloed, en zijn raad is [blijvend] gelijk eene levende bron.

17. Het hart van den dwaas is als een gebroken vaas en kan geen wijsheid, hoe dan ook, bewaren.

18. Welk wijs woord ook de verstandige hoort, hij zal het prijzen en het zich eigen maken; hoort het de zedelooze, hq zal het afkeuren en achter zijn rug werpen.

19. Het gepraat van den dwaas is «ia Un roisznlr nn wee13!: maar OD

de lippen van den verstandige is verlustiging.

on D« mond van den wijze is ge¬

wild in de vergadering, en men

overweegt zqne wooraen in m»i unxu

21. Als een verwoest huis1*) is voor den dwaas de wijsheid; en de wijsheid van den dwaas16) bestaat in woorden zonder zin.

22. Als boeien aan de voeten is voor den dwaas de onderwijzing16), en als handboeien aan de rechterhand.

23. De dwaas schatert luid, als hq lacht17), maar de wijze man lacht nauwelijks stilletjes.

24. Een gouden sieraad is voor den wijze de onderrichting en als een armband aan zijn rechter arm18).

25. De voet van den dwaze is rasch

") Naar Gr.: «Voor geene onderrichting zal vatbaar zijn wie niet van goeden aanleg (panourgos) is; maar er is een goede aanleg, die de boosheid (eigenl. bitterheid) ten toppunt voert». (Hetgeen in de Vulgaat nog volgt is 2de vertaling van het voorafgaande). De zin is: Voor alle beleering en ontwikkeling is aanleg een vereischte, maar niet elke aanleg is goed; er is een aanleg ten kwade, en waar die ontwikkeld wordt, bereikt de boosheid haar toppunt. • Wat gevolg en vrucht is van aanleg en onderrichting bn goeden en bij kwaden, wijzen de volgende verzen

aan

") Lastig en hinderlijk. Enim in v. 19 6 is gelijk elders (zie b. v. XXII 4) voor «autem» gebezigd.

") Dat voor niets dient.

") Wat hn als wijsheid uitkraamt.

") Gr.: «Boeien (pedai) aan de voeten van den dwaas (is) de tucht (paideia)». Zie VI noot 20.

»*) In dit vers en de volgende worden wijzen en dwazen voornamelijk vergeleken ten opzichte van de bescheidenheid. „. „

") Tegenstelling van v. 21. Voor dwazen een lastige keten, is de tuchtleer voor wijzen een hoog gewaardeerd sieraad.

Sluiten