Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25. In me gratia omnis viae et veritatis, in me omnis spes vitae et virtutis.

26. Transite ad me omnes qui concupiscitis me, et a generationibos meis implemini:

27. Spiritus enim meus super mei dulcis, et hereditas mea super mei et favum:

28. Memoria mea in generationes saeeulorum.

29. Qui edunt me, adhue esurient: et qui bibunt me, adbue sitient. Joann. VI 35.

30. Qui audit me, non confundetur: et qui operantur in me, non peccabunt.

31. Qui elucidant me, vitam aeternam babebunt.

32. Haec omnia liber vitae, et testamentum Altissimi, et agnitio veritatis.

33. Legem mandavit Moyses in praeceptis justitiarum, et heredita-

25. Bij Mij is de schoonheid van alle weg en waarheid, bij Mij alle hoop op leven en deugd.]

26. Komt tot Mij gij allen, die naar Mij haakt, en laat u verzadigen door mijne vruchten.

27. Want mijn geest is zoeter dan honig, en mijn bezit gaat honig en honigzeem te boven.

28. [Mijne gedachtenis blijft de geslachten der eeuwen door.]

29. Wie Mij eten, hebben nog honger; en wie Mij drinken, hebben nog dorst17).

30. Wie naar Mq luistert, zal niet beschaamd worden18); en wie naar Mij handelen, zullen niet zondigen.

31. [Wie Mij doen schijnen19), zullen het eeuwige leven hebben].

32. Alles dat») (leert) het boek van [het leven en] het verbond des Allerhoogsten [en de kennis der waarheid].

33. De wet [werd] gegeven door Moses [in de voorschriften der ge¬

heid bewerkt, dat hare volgelingen, God en de goddelijke dingen liefhebben, God vreezen en eeren, tot de ware wijsheid komen en al hunne hoop op God stellen.

") Met nooit verminderde graagte verzadiegn zij zich aan Mq.

") Omdat hy nooit zal zondigen.

") Aan anderen leeren.

*°) Het eerste gedeelte van strophe II is in de Vulgaat (v. 32—37) ten gevolge van glossen, misvatting en verschrijving erg in het ongereede geraakt. Het luidt naar Gr., op één punt (v. 37a) verbeterd: «Dat alles is (leert) het boek van het verbond van God, den Allerhoogste, de Wet, welke Moses ons oplegde als erfdeel voor de gemeenten van Jacob, zij (de Wet), welke (v. 35) vol is van wqsheid als de Phison en de Tiger in de dagen der nieuwe vruchten, welke (de Wet) overvloeit van inzicht als de Euphraat en als de Jordaan in de dagen van den oogst, welke tucht uitstort als de Nijl (Gr. heeft hós phös, als het licht. De vertaler verwisselde jfbr, de Nijl, zie Gen. XLI 1 en Exod. I 22, met 'ór (hebt). Syr. leest «Nehar», andere naam

voor Nijl) en als de Gehon in de dagen der wijnlezing». De wet van Moses wordt hier dus, wat haar rijkdom aan wijsheid en tucht betreft, vergeleken met de vier Paradijs-stroomen én met den Jordaan en den Nijl op den tijd dat zij het meeste water hebben. De voornaamste vergissing van den Latijnschen vertaler is deze, dat hij nomon hon (v. 33 a) (de wet, welke) verkeerdelijk las als nomon en zich zoo genoopt zag het vers van een bqzin te maken tot een hoofdzin. Een tweede vergissing was, dat hij in v. 37 hós phos (l8t« naamval) weergaf met sicut lucem (4d« naamval). Van de verschillende, ten deele zinstorende, glossen is de meest hinderlijke die van v. 34. Wil men haar een behoorlijken zin geven, dan moet men, gelijk in onze vertaling, promissiones (v. 33 b) bij v. 34 trekken. De plaats, welke, blijkbaar op H Reg. VII 12, 13 (vgl. Ps. LXXXVIII 30) slaat, kenmerkt zich duidelijk als glosse doordat zij zich aansluit aan den reeds bedorven tekst van v. 33 en het nauwe verband tusechen dit en v. 35 verbreekt. Zij is wellicht van christelijken oorsprong.

Sluiten