Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29. Aurum tuum et argentum tuum confla, et verbis tuis facito stateram, et frenos ori tuo rectos:

30. Et attende ne forte labaris in lingua, et cadas in conspectu inimicorum insidiantium tibi, et sit casus tuus insanabilia in mortem.

29. Smelt uw goud en uw zilver, en maak voor uwe woorden eene weegschaal, en een deugdelijken toom voor uwen mond. 80. [En] pasop, dat gij niet ten val komt door uwe tong en struikelt voor het oog van [uwe vijanden,] die u belagen, [en uw val onherstelbaar worde ten doode].

CAPUT XXIX.

HOOFDSTUK XXIX.

Plicht van den rijke om den arme door leeningen te helpen, en van den leener om 17 getemde terug te geven (v. 1-18). Over het borg blijven, xnzon™eïheid o2 de gelaren daarvan (v. 19-27). Vergenoeg u met uw bescheiden lot en zoek geene weelde eneerbtjde voornamen (v. 28S6).

1. Qui facit misericordiam, toneratur proximo suo: et qui praevalet manu, mandata servat.

2. Fcsnerare proximo tuo in tempore necessitatis illius, et iterum redde proximo in tempore suo.

3. Confirma verbum, et fideliter age cum illo: et in omni tempore invenies quod tibi necessarium est.

4. Multi quasi inventionem asstimaverunt tonus, et praestiterunt molestiam his, qui se adjuverunt. 6. Donec aocipiant, osculantur manus dantis, et in promissionibus humiliant vocem suamt

v 28 30 niet In allen deele den juisten zin. Zij luiden naar Gr., met behulp van Syr. verbeterd: «Zie toe, omhein uwen wijngaard met doornen, en sluit weg uw zilver en goud; en doe aan uwe woorden een gewicht en doe voor uw mond deur en grendel. Pasop, dat gij soms niet m uw verderf loopt door haar (de tong), opdat gij niet ten val komt voor het oog van den belager». De zin is: Gelijk gq den wijngaard met doornen omheint, zoo maak ook deur en grendel voor uw mond; en gelijk gij uw zilver en goud wegsluit en bewaakt, opdat het u niet o-estólen worde, zoo bewaak ook uwe woorden, opdat gij niet in uw verder! loopt. Vgl. Ps. XXXVIII 2. De zm van

1. Wie barmhartigheid oefent, geeft te leen aan zijnen naaste; en wie zich onderscheidt met de hand, onderhoudt de geboden1).

2. Geef te leen aan uwen naaste ten tijde van zijnen nood; maar geef wederkeerig uwen naaste het geleende terug op zijn tijd. ,

3. Houd woord en handel eerlijk met hem; en te allen tijde zult gij vinden wat gij behoeft2).

4. Menigeen beschouwt het geleende als eene vondst en bereidt verdriet aan wie hem hielpen

5. Zoolang hij ontvangt, kust menigeen de hand van den gever, en bij het beloven laat hij zijne stem dalen8).

_ nn Aa Vnlornat is: Smelt UW

zilver en goud, om het in massa beter te kunnen bewaren. Maak voor uwe woorden eene weegschaal, d. ï. wik en weeg uwe woorden; en een deugdelijken toom voor uwen mond, zie Jac III 23.

l) Zie de inhoudsopgave van v. 1 —18 Ymmn het hoofdstuk. Voor wie zich

onderscheidt met de hand, d. i. bijzonder milddadig is, heeft Gr.rwie (hem, den naaste) ondersteunt met zijne hand» (door zijne giften). Vgl. Deut. XV 7—9.

a) Wie het geleende steeds volgens belofte teruggeeft, vindt altijd de noodige hulp. Maar velen dóen anders (v. 4 -9). '** .

») Naar Gr.: «Zoolang hij niet ont-

Sluiten