Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. Doce filium tuum, et operare in illo, ne in turpitudinem illius offendas.

14. Melior est pauper sanus, et fortis viribus, quam dives imbecillis et flagellatus malitia.

16. Salus animas in sanctitate justitiae melior est omni auro et argento: et corpus validum quam census immensus.

16. Non est census super censum salutis corporis; et non est oblectamentum super cordis gaudium.

17. Melior est mors quam vita amara: et requies asterna quam languor perseverans.

18. Bona abscondita in ore clauso quasi appositiones epularum circumpositffi sepulcro.

19. Quid proderit libatio idolo? nee enim manducabit, necodorabit: Dan. XIV 6.

20. Sic qui effugatur a Domino, portans mercedes iniquitatis:

21. Videns oculis, et ingemiscens, sicut spado complectens virginem, et suspirans.

13. Onderricht uwen zoon en maak werk van hem, opdat gij u niet behoeft te ergeren over zijne snoodheid9).

14. Gelukkiger is een arme, die gezond en sterk is, dan een rijke, die zwak is en van eene kwaal te lijden heeft.

15. Gezondheid [der ziel in heiligheid en gerechtigheid] gaat boven alle goud [en zilver], en een krachtig lichaam boven onmetelijke» rijkdom10).

16. Geen rijkdom gaat boven [den rijkdom van] een gezond lichaam, en geen geluk boven vreugde des barton.

17. Beter is de dood dan een leven vol bitterheid, en beter de eeuwige rust11) dan langdurige ziekte.

18. Lekkernijen, opgespaard voor een gesloten mond, zijn als een maaltijd, aangericht rondom een graf12).

19. Wat baat een spijsoffer den afgod? Hij kan immers eten noch ruiken.

20. Zoo is het met wie vervolgd wordt door den Heer [en het loon ontvangt zijner ongerechtigheid].

21. Hij ziet het met de oogen en zucht, gelijk een ontmande, die eene maagd omarmt en steent18).

") Naar Hebr.: «Tuchtig uwen zoon en maak hard zijn juk, opdat hij in zijne dwaasheid niet ten val kome». — De raad om de kinderen, inzonderheid de knapen, lichamelijk geducht te kastijden (vgl. ook Prov. XIII 24, XXIII 13), vindt zijne verklaring ten deele in de omstandigheden, waaronder bij de Joden, evenals bij de meeste volken der oudheid, de knapen opgroeiden. Tot hun 7de levensjaar toefden zij in het voor de vrouwen bestemde gedeelte van het huis of op de straat, en de vader bekreunde zich weinig of niet om hen. Zoo werden zij niet van den beginne af aan tucht gewend, en moest de vader later voor hen een harde tuchtmeester zijn. — De volgende strophe (v. 14—22; 7 verzen) prnst de waarde eener goede gezondheid; de daarop volgende (v. 23—XXXI 2; 8 verzen) leert wat men vooral moet

vermijden om zijne gezondheid te bewaren. In beide strophen heeft de Vulgaat toevoegsels, die ten deele met goed in den zin passen. 1

10) Hebr.: «Gezondheid en welzijn begeer ik meer dan goud, en een vroolijk gemoed meer dan paarlen».

") De dood, hier afgezien van zaligheid of verdoemenis beschouwd.

") Naar Hebr. duidelijker: «Lekkernijen, uitgestald voor een gesloten mond, zijn (als) een offer, geplaatst voor een afgod». Wie ziek is, heeft niets aan de lekkerste spijzen; hq kan er evenmin van genieten als een afgodsbeeld van de offergaven. De lezing der Vulgaat zinspeelt op de gewoonte der ouden om spijzen bij de graven neer te zetten. . . .

18) Naar Hebr. met geringe verbetering luiden v. 19—21: «Wat baat het den afgodsbeelden der heidenen, die

Sluiten