Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17. In benedictione Dei et ipse speravi: et quasi qui vindemiat replevi torcular.

18. Respicite quoniam non mihi soli laboravi, sed omnibus exquirentibus diseiplinam. Supra XXIV 47.

19. Audite me magnates, et omnes populi, et rectores Ecclesia) auribus

percipite.

20. Filio et mulieri, fratri et amico non des potestatem super te in vita tua: et non dederis alii possessionem tuam; ne forte poeniteat te, et depreceris pro illis.

ji. uum adhuc superes et aspiras, non immutabit te omnis caro.

22. Melius est enim ut filii tui te rogent, quam te respicere in manus filiorum tuorum.

23. In omnibus operibus tuis prsecellens esto.

24. Ne dederis maculam in gloria tua. Da die consummationis dierum vita) tuaa, et in tempore exitus tui distribue hereditatem tuam.

25. Cibaria, et virga, et onus asino: panis, et disciplina, et opus servo.

26. Operatur in disciplina, et qua-

17. Op Gods zegen heb ook ik gehoopt, en als een, die druiven oogst, heb ik de pers gevuld12).

18. Ziet hoe ik niet heb gewerkt voor mij alleen, maar voor allen, die naar tucht streven13).

19. Luistert naar mij, gij vorsten en gij vólken allen, en gij hoofden der gemeente, leent het oor14)!

20. Aan zoon noch vrouw, aan broeder noch vriend geef macht over u, zoolang gij leeft, en draag aan geen ander uwe goederen over, opdat gij er geen spijt van krijgt en er om zoudt moeten vragen.

21. Zoo laner eii leeft en ademt.

laat niemand u koopen16).

22. Want beter is het. dat uwe kin.

deren u vragen, dan dat gij moet zien naar de handen uwer kinderen.

23. Blijf meester van al uwe handelingen;

24. laat geen vlek komen op uwe eer16). Op den dag, waarop de dagen uws levens ten einde gaan en ten tijde van uw heengaan verdeel uwe nalatenschap.

25. Voeder en stok en last voegen den ezel; brood en tucht en arbeid den slaaf17).

26. Hij werkt onder tucht, en ver

") Lees v. 16 en 17 (begin der 7otstrophe) naar Gr. en Syr. met ee nge verbetering aldus: «Ook ik ben het laatst (d. i. in den jongsten tijd) gekomen (Syr.) als een arenlezer achter de maaiers, en door den zegen (de roeping, de genade) des Heeren ben ik anderen voorgegaan; en als een wijnlezer heb ik de pers gevuld». God, die in vrije wilsbeschikking sommige menschen verheft (v. 10—12) en dus ook voorheen de leeraren en profeten beriep, riep in den jongsten tijd Sirachzoon als leeraar des volks. En deze volgt nu, als een arenlezer de maaiers, het voetspoor der groote mannen van het verleden. De woorden getuigen eenerzijds van des schrijvers goddelijke roeping, anderzijds van zijne groote bescheidenheid. Zie verder de Inleiding van zfjn kleinzoon.

") Vgl. XXIV 47.

") Zie Judic. V 3 met noot 8. In het volgend gedeelte raadt Sirachzoon den huisvaders aan, hun gezag en hun vermogen niet uit de handen te geven (v. 20—24) en hunne lijfeigenen door goede behandeling, gestadigen arbeid en, zoo noodig, door kastijding onder tucht te houden (v. 25—33).

") Naar den verbeterden tekst van Gr. beter: «en verkoop u aan niemand».

") Doordat gij u afhankelijk maakt van hen, die u ondergeschikt behooren te zijn.

17) Daar de ezel in de zuidelijke landen niet als dom en traag wordt geminacht, is de vergelijking niet aanstootelijk. Men lette op de volgorde van de drie zaken, welke Sirachzoon ten opzichte van de behandeling der lijfeigenen, want dezen zijn met aervi bedoeld, aanbeveelt. Behoorlijke voéding (verpleging) staat voorop.

Sluiten