Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33. Et si extollens discesserit: quem quaeras, et in qua via quaeras illum,

nósois.

33. [en als hij zioh opmaakte en wegliep, dan weet gij niet, wien gij zult vragen en] op wat weg gij hem moet zoeken?21)

CAPUT XXXIV

HOOFDSTUK XXXIV.

Onthoud u van droomuitlegging en wichelarij (v. 1—8). Ondervinding is nuttig fv. 9—13), maar nog nuttiger de vreeze Gods fv. 14—20). Offeranden van onrechtvaardig goed mishagen aan den Heer fv. 21—24), en wie boete doet voor zonden, maar niettemin blijft zondigen, handelt dwaas fv. 25—31).

1. Vana spes, et mendacium viro insensato: et somnia extollunt imprudentes.

2. Quasi qui apprehendit umbram, et persequitur ventum: sic et qui attendit ad visa mendacia.

3. Hoe secundum hoe visio somniorum: ante faciem hominis similitudo hominis.

4. Ab immundo quid mundabitur ?

1. IJdele hoop en begoocheling zijn eigen den dwazen man, en droomen maken de onwijzen overspannen1).

2. Als een, die naar een schaduw grijpt en den wind naloopt, zoo is hij, die op [bedriegelijke] droomgezichten acht slaat.

3. Dit naar dat is een gezicht in den droom: vóór het aangezicht van een mensch een beeld van dien mensch2).

4. Een onreine, wat kan hij reini-

") In Israël was het tengevolge van de bepaling van Deut. XXHI 16 moeilijk een weggeloopen slaaf terug te krijgen. Wat de Vulgaat meer heeft dan Gr. is ten deele verklaring, ten dee'e tweede vertaling van hetzelfde.

*) Met dit vers begint wederom eene naar inhoud en vorm dichterlijke bespiegeling, welke naar Gr. schijnt te bestaan uit twee strophen van 8 en eene tusschenstrophe van 4 verzen. De gedachtengang is deze: Dwaze menschen doen aan droomuitlegging en waarzeggerij)! louter bedrog en misleiding. Doe daaraan niet mede. Vele menschen werden daardoor ongelukkig. Houd u aan Gods wet; zij misleidt niet (strophe, v. 1—8). In plaats van u op zulke bijgeloovigheden toe te leggen, tracht ondervinding op te doen. Dat heb ik gedaan en mij wel daarbij bevonden (tusschenstrophe, v. 9—12). Boven alle ondervinding gaat echter de vreeze des Heeren. wie die bezit, behoeft niets te vreezen, want God beschermt en verlicht hem (tegenstrophe,

v. 12—17).

*) Aan hoe secundum hoe beantwoordt in den gewonen tekst van Gr.: «toyto kata toytoy», d. i. dit naast dat; vele handschriften echter hebben overeenkomstig den tekst der Vulgaat: «toyto kata toyto, wat zeker oorspronkelijk is. Naar toch uit Syr. blijkt, is het eerste toyto onecht, en zal men het vers aldus moeten lezen: <Naar dit is (zoo is het met) een droomgezicht: tegenover een aangezicht (katenanti prosöpoy; de Vulgaat vat prosöpon minder goed in de beteekenis van persoon, mensch) een spiegelbeeld van een aangezicht». Een droomgezicht staat tegenover de wer[ kelijkheid als een spiegelbeeld van een persoon tegenover dien persoon. Het overbodige toyto in Gr. gaf aanleiding, dat men het andere wijzigde met het oog op katenanti prosöpoy in het volgende verslid. De Itala gaf oorspronkelijk, zeker naar gr., de juiste lezing weder; maar later werd naar Gr. het eerste hoe toegevoegd. — De verzen 2 en 3 vormen een chiasmus: 2 a = A, 2 b = B. 3o = B, 3b = A.

Sluiten