Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et a mendace quid verum dicetur ?

5. Divinatio erroris, et auguria mendacia, et somnia malefacientium, vanitas est.

6. Et sicut parturientis, cor tuum phantasias patitur: nisi ab Altissimo fuerit emissa visitatio, ne dederis in illis cor tuum:

7. Muitos enim errare fecerunt somnia, et exciderunt sperantes in illis.

8. Sine mendacio consummabitur verbum legis, et sapientia in ore fidelis complanabitur.

9. Qui non est tentatus, quid scit? Vir in multis expertus, cogitabit multa: et qui multa didicit, enarrabit irïtellectum.

10. Qui non est expertus, pauca recognoscit: qui autem in multis factus est, multiplicat malitiam.

11. Qui tentatus non est, qualia scit? qui implanatus est, abundabit nequitia.

*) Naar Gr.: «Van onreins, wat kan er reins, en van leugen, wat kan er waars komen?» Evenmin als van wat of wie onrein is — bedoeld is wel de ritueele onreinheid — reiniging kan uitgaan, kan door een bedrog als waarzeggerij en droomuitlegging de waarheid aan het licht komen.

4) Syr.: «bedrog».

*) Naar Gr.: «en gelijk van eene bareïide ijlt de ziel». Met v.,5 vormt v. 6 a één vers.

") Naar Gr.: «Zoo zij (de droomgezichten) niet van «ten Allerhoogste werden gezonden bij bezoeking (door eene buitengemeene beschikking en genade), geef er uw hart niet aan over». In enkele gevallen sprak God in droomen tot menschen; zie Num. XII 6 en vgl. Gen. XX 3, XXXVII 5, XLI 1; I Reg. XXVHI 6; Job XXXIII 15; Joël I 28, enz.

') Woordelijk naar Gr.: «en wijsheid (is) voor den getrouwen (geloovigen)

I gen, en een leugenaar'), wat waars kan hij zeggen?

5. [Valsche] waarzeggerij en [bedriegelijke] wichelarijen en droomen [der toovenaars] zijn ijdelheid*).

6. En gelijk de ziel van eene I vrouw in barensnood, zoo lijdt de ! uwe aan hersenschimmen5). Tenzij

van den Allerhoogste eene bezoeking uitging, richt uw hart niet op zulke dingen'). I 7. Want velen werden door droomgezichten misleid en in hunne hoop daarop teleurgesteld.

8. Niet ziet zich bedrogen wie [het I woord van] de Wet vervult; en de I wijsheid bewaarheidt zich in den

mond van den getrouwe7).

9. [Wie niet beproefd werd, wat I weet hij?] Een man van veel ondervinding denkt aan vele dingen,

I en wie veel geleerd heeft spreekt I verstandig.

1U. Wie niets uuuhi-tuuu, _ wow» ! weinig maar wie in vele dingen i gemoeid werd, wordt rijk aan

slimheid.

11. [Wie niet beproefd werd, wat ! weet hij?] Wie veel rondzwierf, doet I veel slimheid op8).

I mond voleinding». In zijn geheel wil v. 8 zeggen: Komen zij, die op drooin-

I uitleggers en waarzeggers vertrouwen, bedrogen uit: wie de Wet onderhouden, zullen zich niet bedrogen zien, en wie in God gelooft en op God vertrouwt, vindt in de ware wijsheid volle bevrediging. Slot der strophe.

*) In de Vulgaat zijn v. 8—11 door verschuiving, misvatting en herhaling

I van verschillende versleden zeer in het

1 ongereede geraakt. Lees naar Gr.: «Een wel opgevoed man weet veel, en

I de aan ondervinding rijke zal (kan) verstandigs spreken. Wie niet werd beproefd, weet weinig, maar de gezworven hebbende (ho peplanêmenos, door den Latijnschen vertaler in implanatus gelatiniseerd) zal (kan) yolmaken de bedrevenheid» (panoyrgian, wat veelal in ongunstigen zin gebezigd,

I hier door den Latijnschen vertaler verkeerdelijk zoo werd verstaan en met

I malitia en nequitia vertaald).

Sluiten