Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et illuminans oculos, dans sanitatem, et vitam et benediotionem.

21. Immolantis ex iniquo oblatio est maeulata, et non sunt beneplacit» subsannationes injustorum. Prov. XXI27.

22. Dominus solus sustinentibus se in via veritatis et justitia.

23. Dona iniquorum non probat Altissimus, nee re3picit in oblationes iniquorum: nee in multitudine saerificiorum eorum propitiabitur peecatis. Prov. XV 8.

24. Qui offert sacrificium ex substantia pauperum, quasi qui victimat filium in conspectu patris sui.

25. Panis egentium vita pauperum est: qui defraudat illum, homo sanguinis est.

26. Qui aufert in sudore panem, quasi qui occidit proximum suum.

27. Qui effundit sanguinem, et qui fraudem facit mercenario, fratres sunt. Deut. XXIV 14; Supra VII 22.

ziel en verlicht de oogen, Hij geeft gezondheid (en] leven en zegening15).

21. Wie offert van onrechtvaardig verkregen goed, diens offerande is onrein, en geen welbehagen wekken de bespottingen der ongerechten16).

22. [De Heer is alleen met hen, die Hem getrouw zijn op den weg van waarheid en rechtvaardigheid") L

23. De gaven der boosdoeners billijkt niet de Allerhoogste, [en Hij ziet niet neder op de offeranden der boosdoeners18),] en niet zal Hij ter wille hunner vele offers de zonden vergeven.

24. Wie eene offerande opdraagt van het goed der armen, is als iemand, die een zoon slacht onder de oogen van diens vader19).

25. Het brood der behoeftigen is het leven der armen; wie dat wegneemt is een man des bloeds80).

26. Wie het in zweet verworven brood steelt, is als wie zijnen naaste vermoordt.

27. Wie bloed vergiet en wie een daglooner bedriegt, die zijn broeders81).

licht voor de oogen, opdat men niet valle. — Wordt wie God eert door Hem beschermd, dan is het van gewicht te weten, waarin de ware vereering Gods bestaat. Daarover handelt de volgende dichterlijke bespiegeling (v. 21—XXXV 26). De ware dienst van God bestaat niet in offeranden van op onrechtvaardige wijze verworven goed (v. 21—27, 5 verzen), noch in het storten van gebeden bij onboetvaardigheid van harte (v. 28—31, eveneens 5 verzen). De oprechte vereerder Gods onderhoudt de geboden, draagt de voorgeschreven offeranden op en doet dit met een blij gemoed (XXXV 1—13, 3 maal 3 verzen). Zie den inhoud van het verdere gedeelte der verhandeling XXXV noot 10.

") Voor onrein heeft Gr.: «ten spot» (de Latijnsche vertaler las «memowêmenê» in plaats van «memöftêmenê»). Wie van onrechtvaardig verkregen goed eene offerande aan God opdraagt, drijft den spot met God, den rechtvaardige.

Zulk eene offerande, eene bespotting Gods, kan Gode niet welgevallig zijn (v. 216).

") Dit vers kenmerkt zich als eene in den samenhang niet passende glosse.

1S) Andere vertaling van het eerste verslid.

1B) Omdat God de vader der armen is. Zie Ps. IX 10, X 14.

ï0) Een moordenaar, daar hn den behoeftige berooft van zijn levensonderhoud.

") Oudtijds luidde het slot van v. 27 in de Itala: «qui effundit sanguinem et qui fraudem facit mercede mercenario*. Fratres sunt is niet oorspronkelijk, naar ook uit Gr. blijkt. Daar luiden v. 26 en 27: «Een moordenaar van den naaste is wie de samenleving (symbiösin) wegneemt (opheft), en een storter van bloed, wie den huurling zijne huur onthoudt». Den zin van het eerste verslid naar Gr. verduidelijkt de Ethiopische vertolking: «wie den man scheidt van zijne huisvrouw». Maar

Sluiten