Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Festina tempus, et memento finis, ut enarrent mirabilia tua.

11. In ira flammae dévoretur qui salvatur: et qui pessimant plebem tuam, inveniant perditionem.

12. Contere caput principum inimicorum, dicentium: Non est alius prater nos.

13. Congrega omnes tribus Jacob: ut cognoscant quia non est Deus nisi tu, et enarrent magnalia tua: et bereditabis eos, sicut ab initio.

14. Miserere plebi tua, super quam invocatum est nomen tuum: et Israël, quem coaquasti primogenito | tuo. Exod. IV 22.

15. Miserere civitati sanctificationis tua Jerusalem, civitati requiei tua.

16. Reple Sion inenarrabilibns verbis tuis, et gloria tua populum tuum.

17. Da testimonium his, qui ab initio creatura tua sunt, et suscita pradicationes, quas locuti sunt in nomine tuo propheta priores.

18. Da inercedem sustinentibus te, I

*) Hebr.: «Laat spoedig het einde I komen en denk aan den vastgestelden \ tijd (wellicht eene zinspeling op Dan. VIII 19, XI 27 en 35); vriezal (anders) verhalen wat Gij gedaan hebt?*

») Dit vers komt in Hebr. niet voor i en is zeker ook niet oorspronkelijk, daar het de strophe langer maakt dan j de tegenstrophe. Wie ontkwam, te weten aan de vroegere wraakgerichten.

9) Voor der vijandige vorsten heeft Hebr.: «der vorsten van Moab*, als oude erfvijand vertegenwoordiger van alle vijanden van Israël. Eene andere lezing van Hebr. stemt intusschen met Gr. en Vulgaat overeen. Er is niemand enz., d. i. wij alleen zijn machtig.

*•) Het ook in Hebr. niet voorkomende gedeelte van v. 13 is herhaling van v. 5.

") Het herstel van Israël sloot twee zaken in: de hereeniging van al de in de verstrooiing wonende Joden (v. 13 o)

10. Verhaast den tijd en denk aan het einde, opdat zij uwe groote daden verheerlijken7).

11. Door de woede des vuurs worde verslonden wie ontkwam; en wie uw volk kwellen mogen hun

12. Verpletter den kop der vijandige vorsten, die zeggen: Er is niemand buiten ons9).

13. Verzamel alle stammen van Jacob, [opdat zij erkennen dat er geen God is buiten U, en uwe groote daden verheerlijken10),] en geef hun het erfdeel gelijk in den beginne11).

14. Ontferm U over uw volk, dat naar uwen naam genoemd is, en over Israël, dien Gij behandeld hebt als uwen eerstgeborene13).

15. Ontferm U over de stad van uw heiligdom18), over Jerusalem, de stad uwer rust.

16. Vervul Sion met uwe onuitsprekelijke woorden, en met uwe heerlijkheid uw volk").

17. Geef getuigenis aan hen, die van den beginne uwe schepselen zijn, en doe [de] voorspellingen herleven [, welke de vroegere profeten verkondigden] in uwen naam"). 18". Geef belooning aan wie op

en de herovering van hun erfdeel, hun land, dat grootendeels in heidensche handen en van heidensche vorsten afhankelijk was (v. 13 e). Vgl. Is. XL 11; Ez. XXXVI 9; Am. IX 14; Mich. VII 14. ") Vgl. Exod. IV 22. ") Waar Uw heiligdom staat ") Hebr.: «Vervul Sion met uwe majesteit, en met uwe heerlijkheid uwen tempel». Vgl. Ps. LXXV 3, LXXVII 69; Is. II 2; Mich. IV 1. Met uwe onuitsprekelijke woorden is vertaling van Gr. arrêta logia soy, verschreven uit «arêtalogias soy», d. i. met de macht uwer stem, en in den gewonen tekst der

| Septuagint misvormd tot: «arai ta lo-

' gia soy».

") Naar Hebr.: «Geef getuigenis aan het eerste uwer werken (d. i. aan het volk, dat vanouds door U werd ge-

i vormd) en wek op profetie in uwen

| naam».

Sluiten