Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

creata es cooperire aridam malitia, et dolositate illius?

4. Sodalis amico conjucundatur in oblectationibus, et in tempore tribulationis adversarius erit.

5. Sodalis amico condolet causa ventris, et contra hostem accipiet scutum.

6. Non obliviscaris amici tui in animo tuo, et non immemor sis illius in opibus tuis.

7. Noli consiliari cum eo, qui tibi insidiatur, et a zelantibus te absconde consilium.

8. Omnis eonsiliarius prodit consilium, sed est eonsiliarius in semetipso.

9. A consiliario serva animam tuam: prius scito quae sit illius necessitas: et ipse enim animo suo cogitabit:

10. Ne forte mittat sudem in terram, et dicat tibi:

11. Bona est via tua; et stet e eontrario videre quid tibi eveniat.

") Schoon niet onbegrijpelijk, passen v. 4 en 5 naar de Vulgaat toch niet goed in den samenhang. Naar Hebr. luiden zij beter: «Slecht ia (handelt) de vriend, die naar den disch ziet (op de gastvrijheid van den vriend aast), maar ten tijde van den nood tegenover (den vriend) staat De goede vriend strijdt tegen den vijand en grijpt naar het schild tot wering van den tegenstander».

") Ook hier treft de Vulgaat niet den zm van Hebr.: «Vergeet den vriend niet in den strijd, en laat hem niet in den steek bij uwen buit»; d. i. betoon u een goed vriend zoowel door den vriend te helpen in den strijd alsook door hem te doen deelen in den buit, dien gij maakt. — Het volgende gedeelte (v. 7—14) beveelt voorzichtigheid aan in het kiezen van raadgevers.

*) Dit vers behoort naar Hebr. achter v. 11- zie noot 8.

*) Vrije vertaling van Hebr.: «Ieder raadgever zegt: Zie!» d. w. z. biedt u

! van waar zijt gij voortgekomen, om | de aarde te bedekken met slechtheid [en hare arglist] ?

4. Een makker geniet mede met den vriend in het vermaak, maar

| ten tijde van tegenspoed wordt hij ! een tegenstander.

5. Een makker heeft medelijden | met den vriend — om den broode;

[zelfs] grijpt hij tegen diens vijand naar het schild2).

6. Laat de gedachte aan uwen vriend niet wijken uit uw hart, en vergeet hem niet in uwen rijkdom8).

7. [Hond geen raad met wie u be¬

laagt, ea voor wie u Denijaen verberg uw plan4).]

8. Alle raadgever geeft raad ten beste5), maar menigeen is raadgever in zijn eigen belang.

9. Tegen een raadgever wees op uwe hoede; tracht eerst te achterhalen wat bij van noode heeft; want

OOk hü kan ziin fiio-finhftlnnor nn hat-

| oog hebben;

10. opdat hq wellicht geen staak in den grond steke6) en tot u zegge:

11. Goed is uw weg, en tegenover u post vatte om te zien wat u overkomt7).

zijnen raad aan.

6) Naar den met hehnln van a-> ho-.

i stelden grondtekst moeten v. 9 c en

*v \van vers; miaen: «want ook nij denkt aan zich; waarom zal hij over u (het lot) werpen?» d. i. ook hij heeft zqn eigenbelang; 'tis daarom onvoorzichtig, hem blindelings de beslssing over uw lot toe te vertrouwen. De Latijnsche vertaling: «ne mittat sudem in terram», te verstaan van een op den weg gelegd struikelblok, schijnt veroorzaakt door verschrijving van het toevoegsel (Gr.) klêron (lot) tot «sklêron», wat een hard voorwerp beteekent.

') Lees naar Hebr. met geringe verbetering: *En hij zegt tot u: Goed is uw weg; maar hij zal tegenover u staan, om neer te zien op uwe armoede». Wanneer hij, de schijnbaar welmeenende raadgever, u door zijn uit eigenbelang gegeven raad in het ongeluk gestort heeft, dan zal hij als een vijand tegenover u staan en minachtend op uwe ellende neerzien.

33

Sluiten