Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et romphaea, oppressiones, fames, et contritio, et flagella: Supra XXXIX 34, 36.

10. Super iniquos creata sunt haec omnia, et propter illos factus est cataclysmus. Gen. VII10.

11. Omnia, quae de terra sunt, in terram convertentur, et omnes aquae in mare revertentur. Infra XL 13; Eeeles. I 7.

12. Omne munus, et iniquitas delebitur, et fides in saeculum stabit.

13. Substantiae in justorum sicut fluvius siccabuntur, et sicut tonitruum magnum in pluvia personabunt.

14. In aperiendo manus suas laetabitur; sic praevaricatores in consummatione tabescent.

15. Nepotes impiorum non mul tip licabunt ramos, et radices immundae super caoumen petrae sonant.

16. Super omnem aquam viriditas, et ad oram fluminis ante omne foenum evelletur.

17. Gratia sicut paradisus in bene-

twist en zwaard, [verdrukkingen,] honger en ellende en geeselroede1).

10. Voor de goddeloozen werd dit alles geschapen, en om hunnentwil kwam de zondvloed7).

11. Alles wat uit de aarde is, zal tot de aarde terugkeeren, en alle wateren zullen naar de zee terugkeeren8).

12. Alle omkooperij en ongerechtigheid zal vergaan, maar eerlijkheid zal in eeuwigheid blijven.

13. De goederen der ongerechten zullen uitdrogen als een beek, en als een zware donder bij een regenbui ratelen.

14. In het ophouden der handen zal hij zich verheugen. Zoo zullen de boosdoeners bij het wraakgericht versmachten').

15. De nakomelingen der goddeloozen zijn niet rijk aan twijgen, en de onreine wortelen [ruischen] op de hoogte der rots.

16. Bij elk water ontspruit groen, en aan den oever der rivier wordt het vóór alle gras uitgeroeid.

17. Liefdadigheid is gelijk aan het

') Lees naar Gr. en ten deele naar Hebr.: «Over alle vleesch, van mensch tot vee, maar óver de zondaren zevenvoudig, (komen) pest.... honger en dood». Aanhef en thema van tegenstrophe I.

') Naar Hebr. met geringe verbetering: «Vanwege den goddelooze werd het kwade geschapen, en om zijnentwege houdt niet op de verdelging». Cataclysmus in de Vulgaat is onvertaald overgenomen uit Gr., waar het met het lidwoord staat en daarom «de zondvloed» moet beteekenen.

8) Hebr.: «en alles wat van den hemel (eigenl. «van boven») is, naar den hemel»; vgl. Joan. III 13. De verkeerde lezing van Gr. en Vulgaat valt te verklaren door de gelijkenis der Hebr. woorden voor water en hemel (hoogte). Het vers wil zeggen dat ieders einde zal beantwoorden aan zijn oorsprong en aard. De goddelooze, die van de aarde is en aan de aarde gehecht, zal

tot de aarde terugkeeren, d. w. z. vergaan ; de vrome daarentegen, die van den hemel is en zoekt wat des hemels is, zal tot den hemel terugkeeren, d. i. eeuwig leven. Deze gedachte wordt v. 12 nog duidelijker herhaald.

•) Van v. 13 en 14, in Gr. niet veel begrijpelijker dan in de Vulgaat, heeft Hebr. eene verminkte en verschreven lezing, welke op goede gronden aldus werd aangevuld en verbeterd: «De macht van den goddelooze is gelijk aan eene leugenbeek (nachal aksab, vgl. Jer. XV 18; Mich. 1 14, Hebr.; bedoeld ia eene beek, die des zomers droog is), en haar stroom (is) door regens geweldig (d. i. die ten gevolge van regens aanzwol). B» het opheffen van steenen (terwijl zij steenen medevoert) gaat zij zelf te niet. Zoo plotseling gaat hij (de goddelooze) te niet voor altijd». De vergelijking is even duidelijk als schoon. In de Vulgaat is het ophouden der handen te verstaan van bedelen; zie v. 33.

34

Sluiten