Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25. Aurum et argentum est constitutio pedum: et super utrumque consilium beneplacitum.

26. Faoultates et virtutes exaltant cor, et super haec timor Domini.

27. Non est in timore Domini minoratio, et non est in eo inquirere adjutorium.

28. Timor Domini sicut paradisus benedictionis, et super omnem gloriam operuerunt illum.

29. Fili in tempore vita? tua? ne indigeas: melius est enim mori, quam indigere.

30. Vir respiciens in mensam alienam, non est vita ejus in cogitatione victus: alit enim animam suam cibis alienis.

31. Vir autem disciplina tus, et eruditus custodiet se.

32. In ore imprudentis condulcabitur inopia, et in ventre ejus ignis ardebit.

ring: «Broeder en helper redden ten tijde uit den nood, maar beter is heilzame barmhartigheid» (omdat de barmhartigen barmhartigheid zullen verwerven; Matth. V 7).

17) Hebr.: «Maar beter is een goede raad».

"> Naar Hebr. vermoedelijk te lezen: «en boven alles bekleedt Hij (de Heer) haar met glorie». — Strophe II (v. 2Ö--82) is in Hebr., evenals in Gr., Syr. en Vulgaat, slechts ten deele behouden. Maar de ontbrekende verzen, naar de tegenstrophe 3 in getal, komen voor in den Talmud, ingeleid door de woorden: «Sirachzoon zegt». Met die verzen saam telt de strophe, evenals de tegenstrophe (XLI 1—7), 4 acht- en 3 zevenvoeters. De strophe schildert het ellendige leven van den bedelaar en den arme; in aansluiting daaraan stelt de tegenstrophe den dood voor als bitter voor den rijke en zoet voor den arme en vermaant dan den lezer den dood niet te vreezen.

19) Naar den grondtekst: «Mijn zoon, leid geen bedelaarsleven; beter sterven dan (anderen) tot last zijn». De waarschuwing geldt voor de bedelaars van

25. Goud en zilver steunen den voet, maar meer dan beide een gevallige raad17).

26. Rijkdom en macht verheffen het hart, maar meer dan zij de vreeze des Heeren.

27. Bij vreeze des Heeren ontstaat geen gebrek, en waar zij is, behoeft geene hulp gezocht.

28. De vreeze des Heeren is als een paradijs van zegen, en met meer dan alle heerlijkheid wordt zij bekleed18).

29. Mijn zoon, ga uw leven lang niet uit bedelen ,* want beter is sterven dan bedelen19).

80. Een man, die het oog heeft op eens anders disch, diens leven is voor geen leven te houden; want hij voedt zich met vreemde spijzen.

81. Maar een man van opvoeding en verstand hoedt zich daarvoor*0). 32. In den mond van den onverstandige is zoet de bedelarij, maar in zijn ingewand gloeit het als vuur*1).

oeroep, de tafelschuimers.

*°) Vs. 30 en 31 naar Hebr.: «Wie op eens anders tafel ziet, diens leven is geen leven. Bevlekking zijner ziel zijn de gegeven spijzen (zij vernederen, onteeren hem); voor een verstandig man zijn zij kwelling des lichaams», d. L een mensch van fatsoen eet ze met tegenzin.

_") Naar Hebr. met noodige verbetering: »Den onbeschaamde is het zoet te bedelen, ofschoon zijn ingewand brandt van een hevig vuur», te weten van den honger. Hier moeten de in den Talmud behouden verzen volgen: «Alle dagen van den arme (niet enkel van den bedelaar van beroep, maar in het algemeen van den behoeftige) zijn slecht; zelfs in de nachten overkomt hem kwaads. Zijn dak is onder alle het laagst, zijn wijngaard is op de spits der bergen. De regen der andere daken komt op zijn dak, en de aarde van zijn wijngaard in de wijngaarden der anderen». Mogelijk liet de kleinzoon van den schrijver deze pakkende schildering van het lot der armen uit, omdat het lot der armen onder het Joodsche volk anders behoorde te zijn.

Sluiten