Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT XLI.

HOOFDSTUK XLI.

De dood bitter voor den een en welkom aan den ander, is niet te vreezen /v j—7) Zoowel de nakomelingen (v. 8—12) als de gedachtenis der goddeloozen zullen vergaan. Zorg daarom door ware schaamte voor uwe blijvende gedachtenis (v. 13—20). . Waarover men zich moet schamen (v. 21—23).

1. O mors quam amara est memo- I

_t_ ...» knmint -r.at.cm hnhftnt.i in

na ma uuuuui —— —

substantiis suis:

2. Viro quieto, et cujus vias direct» Sunt in omnibus, et adhuc valenti accipere cibum!

3. O mors, bonum est judicium tuum homini indigenti, et qui minoratur viribus,

4. Defecto aetate, et cui de omnibus cura est, et incredibili, qui perdit patientiam!

5. Noli metuere judicium mortis. Memento qua? ante te fuerunt, et quae superventura sunt tibi:» hoe judicium a Domino omni carni:

6. Et quid superveniet tibi in beneplacito Altissimi? sive decem, sive centum, sive mille anni

7. Non est enim in inferno accuga tio vita?.

8. Filii abominationum fiunt filii peccatorum, et qui conversantur secus domos impiorum.

-) Hebr.: «en die nog geschikt is om genoegens te smaken*.

*) Lees naar Hebr., aangevuld en verbeterd, v. 2 en 3: «O dood, hoe gelukkig is uwe noodzakelijkheid voor den zwakken en vervallen ïnun, en voor wie struikelt en valt over alles, voor wie van zijn gezicht beroofd is (naar de beste lezing van Hebr.) en zijne hoop verloor». Genoemd worden hier drie soorten van ongelukkigen: door ziekte of ouderdom gesloopte, door onnoodige zorgen gekwelde en ongeneeslijk blinde

menschen. . .

») Naar Hebr. woordelijk: «Bedenk dat de vroegeren en de tateren (zijn) met u», d. w. z. dat wie vóór u leefden en na u leven zullen, met u hetzelfde lot deelen.

1. O dood, hoe bitter is uw aandenken voor den mensch, die rus¬

tig leeft van zqne goeaeren;

2. voor den man, die van zorgen vrij is en wiens paden geëffend zijn in allen deele, en voor wie nog eetlust heeft1).

3. O dood, goed is uw vonnis voor den man, die gebrek lijdt en die zqne kracht ziet slinken,

4. voor wie door ouderdom gesloopt en over alles in zorgen is, en voor wie hopeloos is en het geduld verliest-).

5. Vrees niet het vonnis van den dood! Denk aan hetgeen vóór u was en aan hetgeen u overkomen zal8); dat is het vonnis des Heeren over alle vleesch.

6. En wat kan u overkomen naar dén wil van den Allerhoogste*)? Of tien, of honderd, of duizend jaren:

i 7. in de onderwereld [immers] is niemand, die klaagt over het leven5).

8. Een kroost van vervloeking zqn de kinderen der zondaars, evenzeer zq, die verkeeren in de buizen der goddeloozen8).

«) Hebr.: «En hoe durft gij laken wat den Allerhoogste behaagt» ?

*) Of iemand kort of lang leefde, eens in den Sjeol zijnde klaagt hij er niet over te lang of te kort geleefd te hebben. — Beurtzang IF (v. 8—20) bestaat in Hebr. uit twee deelen; net eerste telt 6 zeven-, het tweede 6 zesvoeters. De inhoud van het eerste (v.

g 12) is: De goddeloozen zullen met

alleen zelf te gronde gaan, maar ook geheel hun vloekwaardig geslacht zal worden uitgeroeid; van het tweede (v.

13 20): zelfs hunne gedachtenis zal

verdwijnen, terwijl de naam der goeden zal voortleven. Daarom is het zaak, door ware schaamte zorg te dragen voor den goeden naam.

•) Aan v. 86 ontbreekt het paral-

Sluiten