Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ne forte in adoiescentia sua adulta efficiatur, et cum viro commorate odibilis fiat:

10. Nequando polluatur in virginitate sua, et in paternis suis gravida inveniatur: ne forte eum viro commorata transgrediatur, aut certe sterilis efficiatur.

11. Super filiam luxuriosam confirma custodiam: ne quando faciat te in opprobrium venire inimicis, a detractione in civitate, et objectione plebis, et confundat te in multitudine populi.

12. Omni homini noli intendere in specie: et in medio mulierum noli commorari:

13. De vestimentis enim procedit tinea, et a muliere iniquitas viri.

14. Melior est enim iniquitas viri, quam muiier benefaciens, et muiier confundens in opprobrium.

15. Memor ero igitur operum Domini, et qua? vidi annuntiabo. In sermonibus Domini opera ejus.

") Van v. 9 en 10 geven de ver- i schillende teksten ver uiteenloopende lezingen, voornamelijk hierdoor veroorzaakt, dat bijeenhoorende halfverzen gescheiden werden. In Hebr. viel een gedeelte uit. Naar met veel grond wordt vermoed, luidde de plaats in haar geheel oorspronkelijk ongeveer aldus: «Eene dochter is voor den vader een bedriegelijke schat, en zorg om haar verdrijft den slaap: dat zij als jtong meisje niet verwelke, als volwassene niet ongehuwd blijve, als maagd niet worde verleid, in het huis van den man niet onvruchtbaar blijke, in het huis haars vaders niet losbandig worde en in het huis haars mans hemeniet verlate».

") Hebr. i «Op uwe dochter».

") Hebr.: «in de vergadering aan de poort». Vóór v. 12 heeft de grondtekst nog een vers, dat verbeterd zal moeten luiden: «Het vertrek (eigenl. de plaats), waarin zij woont, hebbe ] geen tralievenster (zie Judic. Inleiding 1

wordt hem benomen door de vrees, dat zij als jonge maagd veroudere, of, samenlevend met den man, hem ga tegenstaan;

10. dat zij vroeg of laat onteerd worde in hare maagdelijkheid, en in het huis haars vaders zwanger worde bevonden; dat zij, als zij woont bij den man, de trouw breke of wellicht onvruchtbaar blijve10).

11. Op een dartele dochter11) houd streng toezicht, opdat zij u niet ten spot make bij uwe vijanden vanwege den achterklap in de stad en het gemompel van het volk, en u niet met schande overlade bij de volksmenigte1-).

12. Bij geen mensch let op de schoonheid, en toef niet te midden van vrouwengezelschap;

13. want uit de kleederen komt de mot voort en van de vrouw de boosheid (van den man].

14. Beter toch is de ruwheid van een man dan de liefkoozing eener vrouw, te weten eener vrouw, die schande veroorzaakt18). —

15. Herdenken nu wil ik de werken des Heeren, en wat ik gezien heb wil ik verkondigen. Door het woord des Heeren ontstonden zijne werken14).

bl. 145, aanteekening 44), en zij kijke niet uit op de wegen rondom».

") De Grieksche vertaler, en op zijn voetspoor de Latijnsche, geven den oorspronkelijken zin van v. 12—14 niet goed weder. Lees naar Hebr.: «Aan geen man vertoone zij hare schoonheid, en zij houde geen gezwets met vrouwen. Want uit kleederen komt de mot _ voort, en van de vrouw de slechtheid der vrouw. Beter is de onvriendelijkheid des mans dan de vriendelijkheid der vrouw, welke kwaadsprekend schande verspreidt». — Hetgeen nu tot XLIII 37 volgt is eene verheerlijking Gods, die. zijne macht en wijsheid in de schepping heeft geopenbaard. Het dichtstuk, wel het schoonste uit het geheele werk, bestaat uit 2 strophenparen, door een beurtzang van elkander gescheiden. Strophe I (v. 15—19), gelijk de tegenstrophe uit 7 zesvoeters bestaande, heeft tot inhoud: Men kan Gods werken niet volmaakt kennen, veel minder waardig prijzen.

Sluiten