Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ti n tin n a b ulis aur eis plur imis in gyr o,

11. Dare sonitum in incessu suo, auditum facere sonitum in templo in memoriam filiis gentis suae. Exod. XXVIII 35.

12. Stolam sanctam, auro, et hyacintho, et purpura, opus textile, viri sapientis, judicio et veritate praediti:

13. Torto cocco opus artificis, gemmis pretiosis figuratis in ligatura auri, et opere lapidarii sculptis in memoriam secundum numerum tribuum Israël.

14. Corona aurea super mitram ejus expressa signo sanctitatis, et gloria honoris: opus virtutis, et desideria oculorum ornata.

15. Sic pulohra ante ipsum non fuerunt talia usque ad originem.

16. Non est indutus illa alienigena aliquis, sed tantum filii ipsius soli,

I hem aan, en Hij omhing hem met talrijke gouden schelletjes rondom,

11. opdat zij zouden klingelen bij zijne schreden en zich zouden doen hooren in den tempel tot een teeken voor de kinderen zijns volks10].

12. (Hij bekleedde hem11) met het I heilige gewaad van goud en donkerblauw en purper, het weefstuk van een bedreven man, met oordeel en waarheid begaafd,

| 13. uit getwijnd scharlaken, eens kunstenaars werk; met kostbare edelgesteenten, in gouden kassen gevat, door den steensnijder bewerkt, tot eene gedachtenis, naar het getal der twaalf stammen van Israël.

14. De gouden kroon op zijne hoofdwrong prijkte met het teeken der heiligheid, en het sieraad van zijne waardigheid was een kostbaar werk en in zijne pracht een lust voor de oogen.

15. Zoo schoon was er vóór hem niets van dien aard van den beginne af.

16. Daarmede werd nooit een vreemdeling bekleed, maar enkel zijne

10) In grondtekst en vertalingen zijn v. 9—11 door verschrijving en verschuiving zeer in het ongereede geraakt. Men zal de plaats met het oog op Exod. XXVIII 4 volg. en 38 en 39 volg. (zie de noten aldaar) aldus mogen lezen: «En hij omhing hem met prachtige gewaden, en omhulde hem met heerlijkheid (anderen vertalen: en deed hem antilopenhoornen aan). En Hij bekleedde hem met het gansche ambtsgewaad en tooide hem met de teekenen des gezags: met beenkleed en geweven rok en onderkleed, hoofdwrong en gordel. En hij omhing hem met schelletjes en met vele granaatappelen om de heup, opdat zij lieflijk zouden klingelen als hij ging, en (opdat) uit het Allerheiligste vernomen werd zijn geluid, tot een teeken voor de kinderen zijns volks, voor de kinderen van Israêl voor altijd». — Beurtzang II, in Hebr. uit 8 + 8 zesvoeters bestaande, beschrijft uitvoerig de pracht der heilige gewaden (v. 12 —16) en de waardigheid van het hoogepriesterschap (v. 17—22).

") Ook v. 12—16 zijn door verschrijving, verschuiving en andere oorzaken bedorven; echter minder in Hebr. dan in de vertalingen. Naar den grondtekst schijnen zij ongeveer te moeten luiden: «De heilige gewaden (waren gemaakt uit) goud, hemelsblauw, purper, karmozijn; borstschild, ephod, gordel, een werk, geweven en met de naald beschilderd. De kostbare steenen (van het borstschild waren) als ringen (zegels) gegraveerd, in goud gevat, werk van den steensnijder, ter gedachtenis met ingesneden letters, naar het getal der stammen van Israël. Een gouden kroon (was) op de hoofdwrong, en eene plaat, waarin gegraveerd was: Heilig. Een prachtig ambtsgewaad, alle lof overwaardig, een lust voor de oogen, een werk van volmaakte schoonheid. Te voren was er niets van dien aard geweest, en nooit werd er een ongewijde mede bekleed. Hij (God) bestemde het (alleen) voor hem (Aaron) en zijne zonen en voor de zonen zijner zonen naar hun geslacht». Zie ter verklaring 1 Exod. XXVIII t. a. p. met de noten.

Sluiten