Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

peccare fecit Israël, et dedit viam peccandi Ephraim, et plurima redundaverunt peccata ipsorum III Reg. XII 28.

30. Valde averterunt illos a terra sua.

31. Et quaesivit omnes nequitias usque dum perveniret ad illos defensio, et ab omnibus peecatis liberavit eos.

Nabat, die Israël tot zoude verleidde. En deze bracht Ephraïm op den weg der overtreding, zoodat de maat overliep van hunne vele zonden.

30. Verre bracht men hen weg van hun land.

31. En men was uit op alle euveldaden, totdat hen de wrake achterhaalde [en ben louterde van alle zonden24) ].

CAPUT XLVIII.

HOOFDSTUK XLVIII.

De profeet Elias, zijn optreden en zijne ontrukking aan de aarde_ (v. 1—12). De profeet Eliseüs en zijne wonderen (v. 13—15). Het rijk Israël gaat te gronde, maar Juda blijft voortbestaan (v. 16—18). De regeering van Ezechias. Jerusalem gered uit de handen der Assyriêrs (v. 19—24). De profeet Isaïas (v. 25-28).

1. Et surrexit Elias propheta quasi ignis, et verbum ipsius quasi facula ardebat. III Reg. XVII1.

2. Qui induxit in illos famem, et irritantes illum invidia sua pauci faoti sunt: non enim poterant sustinere praecepta Domini.

1. En Elias stond op, een profeet als vuur, en zqn woord was als een brandende fakkel1).

2. Hij bracht een hongersnood over hen, en zij [, die hem tergden,] werden door hunne afgunst tot weinigen [, want zij konden niet verdragen de bevolen des Heeren2)].

") Het slot van den beurtzang (v. 296—XLVIII 3), in de Vulgaat erg in het ongereede geraakt, luidt in zijn geheel naar Hebr., met behulp van Gr. herzien: «En hij gaf aan Ephraim aanstoot, zoodat zij werden weggevaagd van hun land; en groot was hunne zonde bovenmate, en aan alle kwaad verkochten zij zich, totdat de wrake over hen kwam. En er stond op een profeet als vuur, en zijne woorden waren als een gloeiende oven (vgl. Mal. IV 1), en hij brak hun den staf des broods (d. i. gelijk de Vulgaat heeft, bracht hongersnood over ben; vgl. Lev. XXVI 28) en in zijn ijver maakte hij hen weinigen (zinspeling op III Reg. XIX 10 en 18). Door zijn woord sloot hij den hemel (vgl. Deut. XI 17; III Reg. XVII1; II Par. XVII 13; Jac V 17) en deed driemaal vuur nederdalen» (vgl. IV Reg. X 12 en III Reg. XVIII 33). Het schijnt opvallend, dat in het eerste vers reeds sprake is van de wegvoering der tien stammen (v. 31 der Vul¬

gaat zelfs van haar heilzaam gevolg, de bekeering der ballingen), welke eerst later (XLVIII 16) aan de orde is. De vraag rijst daarom, of men ondanks de overeenstemming van grondtekst en vertalingen dat eerste vers met het oog op III Reg. XIII 31 niet aldus zal mogen lezen: «En hij gaf aan Ephraïm aanstoot, zoodat hij werd weggevaagd van den aardbodem». In dat geval slaat totdat de wrake over hen kwam niet, of althans niet voornamelijk, op den ondergang van het rijk Israël, maar op de wraakgerichten, welke blijkens hetgeen onmiddellijk volgt Elias over het afgodische volk bracht.

*) Zie v. 1—3 naar Hebr. verbeterd en verklaard XLVII noot 24.

') Vs. 26 en c naar de Vulgaat berusten zeker op een verschreven of verkeerd vertaalden en naar aanleiding daarvan geglosseerden tekst van gr. In plaats van en in zijn ijver maakte hij hen wei| nigen (zie XLVII noot 24) las men daar:

Sluiten