Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Verbo Domini continnit coelum, et dejecit de coelo ignem ter: III Reg. XVII1; IV Reg. 110, 12.

4. Sic amplificatns est Elias in mirabilibus suis. Et quis potest similiter sic gloriari tibi?

5. Qui sustulisti mortuum ab inferis de sorte mortis in verbo Domini Dei. III Reg. XVII 22.

6. Qui dejecisti reges ad perniciem, et confregisti faoile potentiam ipsorum, et gloriosos de leoto suo.

7. Qui audis in Sina judicium, et in Horeb judicia defensionis.

8. Qui ungis reges ad poenitentiam, et prophetas fauis successores post te.

9. Qui receptus es in turbine ignis, in curru equorum igneorum. IV Reg. II11.

3. Door het woord des Heeren sloot hq den hemel en hij liet vuur van den hemel vallen, tot driemaal toe.

4. Zoo werd Elias verheerlijkt door zijne wonderen. En wie kan zioh zoo beroemen als gij3)?

5. Gij wektet een doode op uit de onderwereld, uit het lot des doods, door het woord van den Heere [God]*).

6. Gij wierpt koningen neer in het verderf [en braakt spelend hunne macht] en roemruohtigen (wierpt gij neer) van hun bed5).

7. Op den Sinaï vernaamt gij het oordeel en op den Horeb de vonnissen der wrake6).

8. Gij zalfdet koningen ter kastijding en steldet profeten aan tot uwe opvolgers7).

9. Gij werdt opgenomen in een wervelwind van vuur, door een wagen met vurige rossen8).

«en door hun ijver werden zij weinigen gemaakt*. De glossator verstond dit naar allen schijn van den naijver der priesters van Baal op Elias en van hunne uitroeiing door dezen (III Reg. XVIII 19—40). In dien zin laschte hij wat de Latijnsche vertaler met irritante» eum weergeeft in en voegde aan het slot nog eene tweede glosse toe, welke, in de Vulgaat misschien minder goed weergegeven, schijnt te willen zeggen dat de priesters van Baal in hun openbaren wedstrijd met Elias, of eigenlijk met den God van Israël, het onderspit hadden moeten delven. — Strophe en tegenstrophe V bestaan in Hebr. beide uit 5+4, beurtzang V uit 7 + 7 verzen. De strophe gewaagt in haar eerste deel (v. 4—7) van de geweldige verschijning en de wonderen van Elias, in haar tweede (v. 8—12) van zijne ontrukking en zijne terugkomst; de tegenstrophe in het eerste deel (v. 13—15) van Eliseüs en zijne wonderen, in het tweede (v. 16—18) van den ondergang en de verstrooiing van Israël en van het wisselvallige en treurige voortbestaan van het rijk Juda. Dan verhaalt de beurtzang eerst (v. 19—21) van hetgeen koning Ezechias deed tot versterking zijner stad en van den nood, waarin zij door Sennacherib geraakte, daarna (v. 22—27) van hare

v

wonderbare bevrijding, van de vroomheid van Ezechias en van de wonderen en de troostrijke voorspellingen van Isaias.

*) Lees v. 4, aanhef van strophe V naar Hebr.: «Hoe ontzagwekkend waart gij, Elias, en wie kan» enz.

*) Hebr.: «(gij), die een doode deedt verrijzen van den dood en uit den Sjeol door de gunst van Jahwe». Zie III Reg. XVII 17—24.

*) Hebr.: «die koningen deedt neerdalen in het graf en roemruchtigen van hun bed» (deedt neerdalen in het graf). Zeker slaat v. 6 a op III Reg. XXI 20—24 en v. 6 o op IV Reg. I 4. 16 en 17.

*) Zie III Reg. XIX 8—18. De oorspronkelijke volgorde der verzen schijnt hier verstoord. Historisch is de volgorde 7, 6, 8; Hebr. echter heeft 6, 8, 7, Gr. 6, 7, 8.

') Naar Hebr. met geringe verbetering: «die koningen zalfdet voor (Gods) wraakgerichten en een profeet om in uwe plaats te treden». Zie III Reg. XIX 15—21.

8) Naar Hebr., hier een weinig verminkt, vermoedelijk te lezen: «die ontrukt werdt in een storm naar boven en door vurige heerscharen naar den hemel». Zie IV Reg. II 1 10—13.

36

Sluiten