Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Qui seriptus es in judieiis temporum lenire iracundiam Domini: ooneiliare cor patris ad filium, et restituere tribus Jacob. Mal. IV 6.

11. Beati sunt, qui te viderunt, et in amicitia tua decorati sunt:

12. Nam nos vita vivimus tantum, post mortem autem non erit tale nomen nostrum.

13. Elias quidem in turbine tectus est, et in Eliseo completus est spiritus ejus: in diebus suis non pertimuit principem, et potentia nemo vicit illum: IV Reg. II11.

14. Nee superavit illum verbum aliquod et mortuum prophetavit corpus ejus. IV Reg. XIII 21.

10. Oij zult, naar staat geschreven, bij het wraakgericht der tijden lenigen den toorn des Heeren, verzoenen Eet hart des Vaders met den zoon en herstellen de stammen van Jacob9).

11. Zalig zij, die u zagen en door uwe vriendschap onderscheiden werden;

12. want wij, wij leven sleohts dit leven [, en na den dood zal niet zoodanig zijn onze naam10)}.

13. Elias is weliswaar in een wervelwind verdwenen, maar in Elisefis bleef de volheid van zijnen geest11); zoo lang hij leefde, ontzag hij geen machthebber, en door geweld boog hem niemand12).

14. En er was niets boven hem verheven18), en gestorven profeteerde nog zijn lichaam

») Naar den verbeterden en met be- i hulp van Syr. aangevulden grondtekst: I «die beschreven werd als bestemd voor de toekomst, om den toorn te lenigen vóór (het naderen van) den dag van Jahwe, om te verzoenen» enz. Zie Mal. IV 5, 6. ',

l0) Aan v. 11 en 12 beantwoordt m Hebr. slechts één, echter verminkt vers. In zijn tegenwoordigen staat luidt bet eerste lid: «Zalig hij, die u zag en stierf* (d. i. ofschoon hij gestorven is), waarvoor, blijkens de leemte van twee letters aan het einde, naar Gr. en Syr. te lezen is: «Zalig zij, die u zagen en stierven». Van het tweede lid bleven behouden de twee eerste woorden, welke beteekenen: «maar ook zalig gij», benevens twee letters (jod en ne> aan .het einde. Naar eene zonder twijfel juiste gissing zijn deze de rest van eene zinsnede, luidend: «daar gij het leven leeft», d. w. z.: «die nog leeft», In znn geheel luidt dan het herstelde vers: «Zalig zij, die u zagen en stierven, maar ook zalig gij, die nog leeft», passend slot van de aan Elias gewijde strophe. Daarvoor heeft Gr., verschreven en geglosseerd, naar de beste lezing: «Zalig zij, die u zagen en in de liefde (Gods) ontsliepen (en agapêsei kekoimemenoi, waarvoor in den gewonen tekst: «en agapêsei kekosmêmenoi», d. L «die in (door) de liefde geëerd werden); want ook wij zullen het leven leven». Blijkbaar dacht de vertolker aan de verrij¬

zenis der rechtschapenen tot het ware leven bij de terugkomst van Elias (Mal. III 23). De Vulgaat berust zekerlijk op gr., waar de minder goede lezing van Gr. kekosmêmenoi aanleiding gaf, dat van en agapêsei werd: «en agapéi soy», d. i. in (door) uwe liefde, en ook het tweede verslid nog verder dan Gr. afweek van Hebr. Daarbij kwam dan nog v. 12 6 als nieuwe glosse. In haar geheel heeft de plaats naar de op gr. berustende Vulgaat dezen niet veel zeggenden zin: «Zalig zij, die met u, Elias, leefden en bevriend waren; maar wij derven dat voorrecht tijdens ons leven.

En komen wij te sterven, dan zulten wij zeker geen zoo grooten naam nalaten als gij».

") In Hebr. viel dit vers uit, daarentegen ontbreekt hier in Gr. en Vulgaat een vers, dat in Hebr. behouden bleef. Men zal ten deele naar Gr. en ten deele naar Hebr. mogen lezen: «Toen Elias ontrukt werd in een storm, werd Eliseüs vervuld van zijnen geest. Tweemaal meer teekenen verrichtte hij en hij werd waarachtig bevonden in al de uitspraken van zijnen mond». Vgl. IV Reg. II 2—11.

") Hebr.: «Zoolang hij leefde, vreesde hq niemand, en geen mensch boog zijnen geest». Zie IV Reg. III 13, 14, VI 16, 17.

") Naar Hebr.: «Niets was hem wonderbaar». De Vulgaat zegt hetzelfde met andere woorden.

Sluiten