Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25. Nam fecit Ezechias quod piacuit Deo, et fortiter ivit in via David patris sui, quam mandavit illi Isaias propheta magnus, et fidelis in conspectu Dei.

26. In diebus ipsius retro rediit sol, et addidit regi vitam. IV Reg. XX 11: Is. XXXVIII 8.

27. Spiritu magno vidit ultima, et consolatus est lugentes in Sion. Usque in sempiternum

28. Ostendit futura et abscondita antequam evenirent.

25. Want Ezechias deed wat Gode behaagde en ging standvastig op den weg zijns vaders David, dien hem Isaias had gewezen, de groote profeet en de getrouwe vóór het aanschijn Gods22),

26. In zijne dagen ging de zon weder terug, en hij verlengde den koning het leven23).

27. Met zijn machtigen geest zag hij de laatste dingen en vertroostte hij de treurenden op Sion24). Tot

I in de verre tijden I 28. verkondigde hij de toekomst I en het verborgene, alvorens het I geschiedde.

CAPUT XLIX.

HOOFDSTUK XLIX.

Lofprijzing van koning Josias, alsmede van de profeten Jeremias en Ezeehiël (v 1—10) Verheerlijking van de twaalf profeten, voorts van Zorobabel 'en Jesus, den zoon van Josedee, van Nehemias, Henoch, Sem, Seth en Adam (v. 11—19).

1. Memoria Josiae in compositionem odoris facta opus pigmentarii. IV Reg. XXII1.

2. In omni ore quasi mei indulcabitur ejus memoria, et ut musica in convivio vini.

deelten van v. 22—24 ontbreken ook ook in Hebr.; zij kunnen echter vanwege de evenmaat van den beurtzang bezwaarlijk gemist worden. Men zal de plaats ten deele naar Hebr. en Gr., ten deele naar de Vulgaat aldus mogen lezen: «Daarom riepen zij God, den Allerhoogste, aan en strekten hunne handen naar Hem uit. En Hij verhoorde hunne smeekingen en was niet indachtig hunne zonden (einde van de eerste helft van den beurtzang). En Hij leverde hen niet over aan de vaanden, maar bracht hun hulp door Isaias. En Hij versloeg het leger der Assyriërs, en zijn engel bracht hen in verwarring door de pest».

") Naar Gr.: «de groote, die waarachtig werd bevonden in zijne gezichten».

") Zie IV Reg. XX 1—11 en Is. XXXVIII 1—8.

1. De gedachtenis van Josias is als een mengsel van welriekende geuren uit de hand van den zalfbereider1).

2. In eiken mond2) is zijne vermelding zoet als honig en als een lied bij het drinkgelag.

**) Zie Is. XI 12. De dichter had zeker Is. XL—LXVI voor oogen. Sirachzoon kende derhalve geen «deuteroJesaia».

•) Strophe en tegenstrophe VI tellen elk in Hebr. 11 verzen. De strophe

(v, i 10) prijst den laatsten goeden

koning, Josias, tegelijk met Jeremias en Ezeehiël; de tegenstrophe (v.11—19) verheerlijkt Job, de kleine profeten, Zorobabel en Jesus Josedec's zoon, alsmede Nehemias, en van de oudste aartsvaders: Henoch, Joseph, Sem, Seth, Enos en Adam. Zoo keert de dichter ten slotte tot zijn aanhef terug.

Naar Hebr. met geringe verbetering

luidt v. 1: «De naam van Josias is als eene specerij met zout vermengd, het werk van den balsembereider». Vgl. Exod. XXX 35, XXXI 41; Cant. I 3. ' *) Hebr.: «in den mond».

Sluiten