Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waariri zij het volk vermaanden tot getrouwheid aan Gods wet, de zondaars inzonderheid de afgodendienaar», bestraften en hun de komende wraakgerichten aankondigden, volgens de mate der openbaring hun door God geschonken. Doch te gelijk moesten «fi n** betere deel van Israël troosten met de beloften van den Messias, dien zij ais het einde en het doel der Wet immer voor oogen hadden, wiens Rijk zij met immer duidelijker kenmerken voorspelden. Niet zelden strekte God hunne zending uit tot de heidensche volken, aan wie zij om hunne ongerechtigheden en afgoderij de schrikkehjkste straffen moesten aankondigen; ook hun predikten zij den Verlosser uit Sion, het licht en het heil der gansche

W Reeds een oppervlakkige blik op de heilige geschiedenis toont, welken grooten invloed de profeten op het volk Gods, in al de tijdperken van zijn bestaan, op zijn huiselijk, openbaar en godsdienstig leven hebben geoefend Van Samuel af ontmoeten wij hen in een onafgebroken reeks tot aan Malachias; doen ook in den tijd van Moses tot Samuel ontbrak aan Israël die hoogere leiding niet (*gl. Jer. VII 25). Moses zetf wordt door Gód genoemd de profeet bij uitnemendheid, dien niemand evenaart (vgl. Deut. XXXIV 10). Josue was zijn opvolger, ook in de profetische bediening (Eccli. XLVI 1). In den troebelen tjjd der Rechteren, die als door God verwekte mannen, in zekeren zin tot de profeten kunnen gerekend worden, verschijnen de profetes Debbora (Judic. IV) en een ander niet genoemde profeet (Judic. VI 8-10); «een man Gods, verkondigt aan Heli zijne straf (I Reg. II 27) en ten tqde van den trrooten profeet Samuel was het eene gewone spreekwijze: «komt en laten wij naar den ziener gaan» (I Reg. IX 9). Uit deze spreekwijze, alsook uit het verhaal van Saül (I Reg I^ drt «den man Gods» raadnleeede omtrent de verloren ezelinnen; Mqkt duidelijk, dat de raad der profeten werd ingewonnen ook omtrent zaken, die het dagelijksche, huishoudelijke leven betroffen , Want om Israël te weerhouden van de heidensche waarzeggerij en wichelarij gewaardigde Jehova zich zijne orofeten ook betreffende dergelüke zaken te verlichten. In het openbaar leven traden zij op als door God gestelde wachters die over koningen, priesters en overheid moesten waken, opdat dezen het volk des Heeren volgens zijnen wil en zijne wetten zouden besturen (vgl. Jer. I 18). Vrfimoedig verhieven zij hunna stem, zoo dikwerf koningen of vorsten door afgoderij, door heidensche verbonden, door verdrukking van weerloozen enz. tegen Jehova s wet in opstand kwamen of door eene met de roeping van Gods volk strijdige staatkunde aan Israël ten verderve strekten. Vooral echter het godsdienstig levep was aan hunne bewaking toevertrouwd. Vandaar hun voortdurende s^rfld tegen af goderg m bijgeloof tegen louter uitwendigen eerecUenst, tegen het overtreden der liturgische voorschriften, in één woord tegen alles wat met strookte met de heiligheid, door Jehova van zijn uitverkoren volk gevorderd. Aan hen was het onfeilbaar leerambt in Gods Kerk van het Oude Verbond opgedragen, krachtens hetwelk zij de reeds geopenbaarde leer moesten onderwijzen en handhaven, den schat des geloofs met nieuwe openbaringen vermeerderen en vooral den Messias, de kenteekenen en weldaden van zijn Rijk in een immer helderder daglicht stellen.

Sluiten