Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontwikkelden? Waarom verdierven zich die broedervolken in al de uitspattingen van het Oostersche heidendom en verloren zij geheel en al den oorspronkelijken godsdienst? Waarom bewaarde integendeel Israël alleen, ondanks al zijne gebreken en ondeugden, de echt zedelijke en godsdienstige begrippen en vermeerderde het immer door middel der profeten, die de waarheid altoos meer ontwikkelden en duidelijker aanwezen, zijne geestelijke schatten? Van waar dat verschil? Geen natuurlijke reden geeft hiervan de oplossing. De eenige verklaring ligt in Gods bovennatuurlijke tusschenkomst, in de bijzondere voorzienigheid van God, die alleen aan Israël in een onafgebroken reeks zijne profeten gaf, wijl dat uitverkoren volk bestemd was om het Rijk Gods over de geheele aarde, het Rijk van den Messias voor te bereiden.

Was alzoo de bediening der profeten eene bovennatuurlijke, maar toch gewone en blijvende instelling, welke, overeenkomstig Gods belofte in Deut. XVIII 9—22, het volk van Israël voortdurend zou voorlichten en aan hetzelve Gods woord bekend maken, zoo werd toch iedere profeet in het bijzonder op buitengewone wijze door God geroepen. Jehova immers had zich de roeping van den profeet voorbehouden en deze waardigheid niet, evenals die der priesters en levieten, aan eene familie of een stam verbonden. Evenmin werd eenige natuurlijke begaafdheid of geschiktheid of eene voorafgaande opleiding gevorderd om met de profetische gave te worden begiftigd. Wat toch de zoogenaamde profetenscholen betreft, waarvan sommige nieuweren gewagen, deze waren bij de Vaders onbekend en komen in de H. Schrift geen enkele maal voor. Wel is er in de H. geschiedboeken sprake van «vereenigingen» of «scharen van profeten» (I Reg. X 5, 10; XIX 20) en later van «profetenzonen» (III Reg. XX 35; IV Reg. II 3); doch het was alleen de verkeerde opvatting der Ohaldeeuwsche overzetting, die aan Joodsche schriftverklaarders der Middeleeuwen aanleiding gaf tot de bewering, dat er in Israël scholen bestonden, waarin de toekomstige profeten tot hunne bediening werden gevormd. Die «profetenzonen» immers waren reeds profeten in eigenlijken zin en traden dan ook als zoodanig op (vgl. III Reg. XX 35; IV Reg. II 3, 5); zij hadden zich ten tijde van Samuel en later in het noordelijk rqk ten tijde van Elias en Eliseüs onder de leiding van genoemde profeten, die zij als vaders en als hunne meerderen erkenden (vgl. I Reg. XIX 20; IV Reg. VI 1), tot een gemeenschappelijk leven vereenigd om gezamenlijk onder begeleiding van heilige muziek Gods lof te zingen. Verder is er betreffende die vereenigingen van profeten niets bekend; evenmin vermeldt de H. Schrift, of zij in den tijd van Samuël tot Elias en Eliseüs altijd bestaan hebben en na hen m stand znn gebleven. Overigens valt het niet te betwijfelen, dat God met zijne profetische gave bij voorkeur zulke mannen begunstigde, die door godsdienstigheid en getrouwheid aan de Wet uitblonken. — Ten laatste zn hier nog bemerkt, dat wie door God tot de profetische bediening was uitverkoren, niet voortdurend met dat bovennatuurlijk licht werd bestraald, maar alleen dan wanneer hij door God tot de uitoefening zijner bediening werd opgewekt. De Heer moest hem op bovennatuurlijke wijze verlichten, hem toonen wat en wanneer en waar hij spreken moest

Sluiten