Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaamheid tot de hoofdstad Machtig was zijn invloed, zooals blijkt uit zijn optreden onder Achaz (VII, volg.) en Ezechias (XXXVII, volg.), groot zijne vrijmoedigheid, waarmede hij ook aan vorsten en priesters hunne zonden en ongerechtigheden verweet. Isaias schreef, behalve dit profetisch boek, de geschiedenis van Ozias (vglr ll Par. XXVI 22), welke echter, evenals zoovele andere historische werken der profeten, is verloren gegaan.

De jaren van Isaias' profetische werkzaamheid behooren tot een allergewichtigst tijdperk der geschiedenis van Gods volk. Niet lang na zijn optreden valt de zoogenaamde Syrisch-Ephraïmietische oorlog tegen Juda (734), toen God het afgodische Juda met zijn goddeloozen koning Achaz tuchtigde door de invallen der Syrische en Israëlietische legers, welke, eerst afzonderlijk, daarna vereenigd, het rijk Juda aan den rand des afgronds brachten. Achaz riep, met verzaking van Jehova, de hulp in van den koning van Assyrië, destijds Teglathphalasar Deze machtige vorst kwam Juda ontzetten, veroverde Syrië's hoofdstad. Damascus, lijfde een deel van Israël's gebied in, doch maakte ook Juda aan zich schatplichtig. In het jaar 721, toen Sargon den troon van Assyrië besteeg, was Isaias getuige van de inneming van Samaria, de wegvoering van een aanzienlijk deel der tien stammen en den ondergang van het rijk Israël. Achaz' opvolger op den troon van Juda, Ezechias, was een even schitterend voorbeeld van deugd als zijn vader een vloekwaardig monster van boosheid geweest was. Hij greep het euvel van Juda in den wortel aan, door de afgoderij naar vermogen uit te roeien, den tempel des Heeren, onder Achaz ontwijd, in eere te herstellen en het verbond met Jehova plechtig te vernieuwen. Weldra keerde dan ook, onder Gods zegen, de voorspoed in Juda terug; Ezechias weigerde nog langer de schatting aan Assyrië te betalen en versloeg de hem aanvallende Philistijnen. Toch bleef Juda nog lijden onder de gevolgen van Achaz' goddeloos bestuur, zich openbarend èn in de afgodische gezindheid van velen zijner onderdanen, welke door den aan Jehova getrouwen koning nauwelijks kon worden onderdrukt, èn in het Gods volk onwaardige streven zijner naar een Egyptisch verbond hunkerende staatslieden. Nadat Ezechias reeds geruimen tijd over Juda geregeerd had, overviel hem eene doodelijke ziekte; door Isaias' tusschenkomst op wonderdadige wijze daarvan genezen, ontving hij de belofte, dat zijn leven nog met vijftien jaar zou worden verlengd. Het was bij deze gelegenheid, dat een Babylonisch gezantschap te Jerusalem kwam onder voorwendsel Ezechias met het herstel zijner gezondheid geluk te wenschen, in werkelijkheid echter, naar het schijnt, om hem over te halen tot een bondgenootschap tegen Assur. Ezechias toonde aan die gezanten zijne schatten; maar dat pralen en dat heulen met heidensche machten werd aanstonds gewroken : Isaias voorspelde den koning de Babylonische ballingschap. — Ten jare 705 werd Sargon in het bestuur van Assyrië opgevolgd door Sennacherib. Zoodra deze Babylonië had overwonnen, kwam hij in 701 mét een ontzettend groot leger naar zuidwestelijk Azië om de volkeren van Chanaan en Philistea te straffen, die met Egypte en Ethiopië tegen hem hadden samengespannen, ten einde het hun door

VI

2

Sluiten