Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Projecisti enim populum tuum domum Jacob: quia repleti sunt ut olim, et augures habuerunt ut Philisthiim, et pueris alienis adhaeserunt.

7. Repleta est terra argento et auro: et non est finis thesaurorum ejus:

8. Et repleta est terra ejus equis: et innumerabiles quadrigse ejus. Et repleta est terra ejus idolis: opus manuum suarum adoraverunt, quod fecerunt digiti eorum.

9. Et incurvavit se homo, et humiliatus est vir: ne ergo dimittas eis.

10. Ingredere in petram, et abscondere in fossa humo a facie timoris Domini, et a gloria majestatis ejus.

11. Oculi sublimes hominis humiliati sunt, et incurvabitur altitudo virorum: exaltabitur autem Dominus solus in die illa.

12. Quia dies Domini ex er ci tuum super omnem superbum et excelsum, et super omnem arrogantem: et humiliabitur.

Heeren ons daartoe voorbereiden. Want (v. 6, volg.) thans zijt gij die toekomst geheel en al onwaardig.

*) De profeet wendt zich tot God. Want verworpen, d. i. Gij staat gereed uw volk te verwerpen, omdat zij vol zijn van misdaden gelijk weleer in de woestijn, Hebr. «omdat zij vervuld zijn van het Oosten», d. i. van Oostersch bijgeloof; deze lezing past goed bij het volgende: en wichelaars hebben gelijk de Philistijnen in het Westen. Vreemde kinderen enz., d. i. met uitlandsche volken verbonden sluiten, meer op hen dan op Jehova vertrouwend en zich blootstellend aan het gevaar van afgoderij.

*) Het opeenhbopen van schatten en het vermenigvuldigen van strijdrossen en wagens was verboden in Deut. XVII 16, 17; het geschiedde, omdat het geloof in en het vertrouwen op Jehova verdwenen waren: vgl.

6. Want verworpen hebt Gij uw volk, het huis van Jacob, omdat zij vol zijn gelijk weleer, en wichelaars hebben gelijk de Philistijnen, en vreemde kinderen aanhangen4).

7. Vol is het land van zilver en goud, en er is geen einde aan zijne schatten;

8. en vol is zijn land van rossen en ontelbaar zijn zijne strijdwagens5); en vol is zijn land van afgoden: het werk hunner handen aanbidden zij, hetgeen hunne vingeren gemaakt hebben.

9. En de mensch buigt zich neder en de man vernedert zich; vergeef het hun dus niet6)!

10. Ga binnen in de rotskloof en verberg u in de aardgroeven voor het aanschijn van de verschrikking des Heeren en voor de heerlijkheid zijner majesteit7)!

11. De trotsche oogen des menschen worden vernederd en neergebogen wordt de hoogheid der mannen, maar verheven de Heer alleen te dien dage8).

12. Want er is een dag9) van den Heer der heerscharen over al wie trotsch en hoogmoedig en over al wie vermetel is, en vernederd zal hij worden:

Ps. XIX 8; XLIII 4—7; Mich. V 10.

*) De mensch, Gods evenbeeld, de man, geboren om te heerschen, werpt zich neer voor stomme beelden, voor zijn eigen maaksel. Vergeef het niet, d. i. laat het niet ongewroken, eene ontboezeming van Isaias' ijver voor Gods eer.

') De profeet ziet het wraakgericht (de verschrikking) des Heeren naderen en roept den zondaars toe, zich zoo mogelijk te verschuilen.

8) Te dien dage, wanneer Gods heerlijkheid zich zal openbaren in het den zondigen mensch vernederende strafgericht.

") Een wraakdag, waarop alle menschelijke trotschheid zal vernederd worden; die hoovaardij wordt geschilderd in de volgende opsomming van al wat in de natuur hoog en verheven en sterk is.

Sluiten