Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omnibus non est aversus furor ejus, sed adhuc manus ejus extenta.

26. Et elevabit signum in nationibus procul, et sibilabit ad eum de finibus terrse: et ecce festin us velociter veniet.

27. Non est deficiens, neque laborans in eo: non dormitabit, neque dormiet, neque solvetur cingulum renum ejus, nee rumpetur corrigia calceamenti ejus.

28. Sagittae ejus acutse, et omnes arcus ejus extenti. Ungulae equorum ejus ut silex, et rota ejus quasi impetus tempestatis.

29. Rugitus ejus ut leonifl, rugiet ut catuli leonum: et frendet, et tenebit praedam: et amplexabitur, et non erit qui eruat.

30. Et sonabit super eum in die illa sicut sonitus maris: aspiciemus in terram, et ecce tenebrte tribulationis, et lux obtenebrata est in caligine ejus.

heeft zich zijn toorn niet afgewend, maar nog is zijne hand uitgestrekt.

26. En Hij zal een banier verheffen onder de volkeren van verre, en Hij zal hem toefluiten van de uiteinden der aarde; en zie, zich haastend zal hij ijlings komen*8).

27. Er is geen vermoeide en geen kranke onder hem, hij zal niet sluimeren noch slapen, en niet losgaan zal de gordel zijner lenden, en niet breken zal de riem van zijn schoeisel.

28. Zijne pijlen zijn gescherpt en al zijne bogen gespannen. De hoeven zijner paarden zijn als keisteen24) en zijn raderen als de vaart van den stormwind.

29. Zijn gebrul is als van den leeuw, brullen zal hij als jonge leeuwen, en hij zal brieschen en vastgrijpen zijne prooi en haar omknellen, en niemand die ze ontrukt.

30. En bruisen zal hij over hem te dien dage als het gebruis der zee,s). Wij schouwen over het land en zie, duisternis van rampspoed, en het licht is verduisterd wegens de donkerheid daarover26)!

; ) Wat Gods hand, ter wraak nog uitgestrekt (v. 25), zal werken, schildert de profeet in het hier volgende tafereel (v. 26—30), dat al de komende godsgerichten over Juda en zijne algeheele verwerping omvat. Een banier, een vaandel of vlag op eene hoogte (b. v. op Sion) geplant, zal aan de van. verre aanrukkende vijanden de richting toonen. God zal met een wenk zijner almacht hem (den hier gedachten vijand) als toefluiten, gelijk de bijenhouder zijne bijen lokt (zie VII 18). Die vijand komt tot grootere verschrikking van de uiteinden der aarde, uit onbekende, verre landen; want niet meer zulten alleen naburige vijanden gelijk tot dusverre, Gods volk tuchtigen. Hoe schrikwekkend die legerscharen

! zullen zijn, toont de volgende schildeI ring van een onvermoeid, goed uitgerust, sterk gewapend leger.

'") Eene voortreffelijke eigenschap van het paard, noodzakelijk voor het krijgsros van dien tijd, toen de hoeven nog niet mét ijzer beslagen werden.

™) Over hem, d. i. over Juda, zal de vijand losbreken als de alles vernielende oceaan.

*") Wij, de profeet rekent zich, om het In visioen aanschouwde, onder de ooggetuigen dier rampen. Geen straal van licht schemert in den stikdonkeren nacht van ellende door de donkerheid, welke daarover, d. i. over Juda, is gekomen. Het is het eindvonnis der verwerping over de weerspannige Synagoog.

Sluiten