Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Et commota sunt superliminaria cardinum a voce clamantis, et domus repleta est fumo.

5. Et dixi: Vae mihi, quia tacui, quia vir pollutus labiis ego sum, et in medio populi polluta labia habentis ego habito, et regem Dominum exercituum vidi oculis meis.

6. Et volavit ad me unus de Seraphim, et in manu ejus calculus, quem forcipe tulerat de altari.

7. Et tetigit os meum, et dixit: Ecce tetigit hoe labia tua, et auferetur iniquitas tua, et peccatum tuum mundabitur. ,

8. Et audivi vocem Domini dicentis: Quem mittam? et quis ibit nobis? Et dixi: Ecce ego, mitte me.

9. Et dixit: Vade, et dices populo huic: Audite audientes, et nolite intelligere: et videte visionem, et nolite cognoscere. Matth. XIII14; Mare. IV 12; Luc. VIII10; Joann. XII 40; Act. XXVIII 26; Rom. XI 8.

*) Hebr.: «De grondvesten» of posten «der bovendrempels» van de hemelsche tempelpoort (vgl. Amos IX 1), waarvoor Isaias stond, daverden; zoo overweldigend was het geschal des roependen (een verzamelwoord), d. i. der zingende Serafijnen (zie v. 3). Het hemelsche huis of de tempel werd ge-, vuld met rook, die opsteeg van hetv reukoffer-altaar (v. 6); rook is het gewone zinnebeeld van Gods tegenwoordigheid. Vgl. III Reg. VIII 10.

5) Isaias sprak, volgens den grondtekst: «Wee mij! ik verga , want

den Koning» enz. Hij vreest te sterven, omdat hij God gezien had; vgl. Gen. XXXII 30; Exod. XX 19; XXXIII 20. Bij dat zien van den heiligen God werd hij zich bovendien zijne onwaardigheid meer bewust. De zin van den Vulgaattekst is: Wee mij, omdat ik mijne stem niet mocht vereenigen met den lofzang der reine geesten; daarom noemt hij zich in zijne nederigheid onrein van lippen enz., eene dichterlijke zegswijze om zijne zonden te belijden.

4. Dan daverden de bovendrempels der hengselduimen van het geschal des roependen, en het huis werd gevuld met rook4).

5. En ik sprak: Wee mij, dat ik gezwegen heb! Want een man onrein van lippen ben ik, en te midden van een volk, dat onreine lippen heeft, woon ik, en den Koning, den Heer der heerscharen, heb ik gezien met eigen oogen5).

6. En tot mij vloog een der Serafijnen, en in zijn hand was een steen, dien hij met een tang genomen had van het altaar.

7. En hij raakte mijnen mond aan en zeide: Zie, dit heeft uwe lippen aangeraakt, en weggenomen zal worden uwe ongerechtigheid, en uwe zonde zal worden gereinigd6).

8. En ik hoorde de stem des Heeren, die zeide: Wien zal Ik zenden? En wie zal voor Ons gaan7)? En ik zeide: Zie, hier ben ik, zend mij.

9. En Hij zeide: Ga èn zeg aan dit volk: Hoort al hoorende en verstaat niet; en ziet het gezicht en erkent niet8).

De zin is: Ik, zondaar, die te midden van éen zondig volk woon, ik heb den Hee\ aanschouwd, hoewel mijne onwaardigheid mij uit zijne tegenwoordigheid moest verdrijven.

6) Evenals de priester in den aardjschen tempel, neemt de Serafijn van het hemelsche reukaltaar met eene tang een steen. Want op met houtskolen .gloeiend gemaakte steenen brandde men in den aardschen tempel reukwerk. Vuur was het wettelijk reinigingsmiddel (vgl. Num. XXXI 23); vuur van het altaar wijst op de betrekking tusschen offerande en reiniging. De engel reinigt met een gloeienden steen de lippen, omdat deze het orgaan zijn, waarmede Isaias als profeet het woord Gods zal verkondigen.

') Wie zal voor Ons (van onzentwege). gaan om ons werk in onzen naam te volvoeren? Dit Ons wijst op de drie personen der Heilige Drievuldigheid. Vgl. Gen. I 26.

") God geeft aan Isaias zijne zending met de daarmede verbonden hulpmid-

Sluiten