Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trans Jordanem Galilaeae gentium. Matth. IV 15.

2. Populus, qui ambulabat in tenebris, vidit lucem magnam: habitantibus in regione umbraa mortis, lux orta est eis.

3. Multiplicasti gentem, et non magnificasti laetitiam. Laetabuntur coram te, sicut aui laetantur in messe, sicut exsultant victores capta praeda, quando dividunt spolia.

4. Jugum enim oneris ejus, et virgam humeri ejus, et sceptrum exactoris ejus superasti sicut in die Madian. Judic. VII.

5. Quia omnis violehta praedatio

I is geëerd geworden de weg aan zee over den Jordaan van het Galilea der heidenen1).

2. Het volk, dat in de duisternis wandelde, zag een groot licht; hun die woonden in de landstreek van

! de schaduw des doods, een licht is hun opgegaan*).

! 3. Vermeerderd hebt Gij het volk en niet verhoogd de blijdschap*). Zij verblijden zich voor uw aangezicht, gelijk die zich verblijden in

I den oogst, gelijk de overwinnaars jubelen na gewonnen buit, wanneer zij het geroofde verdeelen. 4. Want het juk van zijnen last en de roede van zijnen schouder en

f den staf van zijnen dwingeland

j hebt Gij verbroken als ten dage

I van Madian4).

| 5. Want alle buit, met geweld in

L) Terwijl de nacht van jammer blijft | drukken op de verachters van Gods woord (VIII 20—22), zal daarentegen I a„ mnman van vArlnssinff aanlichten !

voor de geloovigen, vooral daar, waar de smaad en de ellende het zwaarst gevoeld werden, in het stamgebied van Zabulon en van Nephthali; ditzelfde land heet in het tweede verslid de weg aan zee, omdat het gelegen was aan de zee, d. i. aan den oever van het meer Genesareth. Het volgende trans Jordanem kan zoowel den westelijken als den oostelijken Jordaanoever aanduiden; hier beteekent het niet, naar de meest gebruikelijke spreekwijze, het aan de oostzijde gelegen Perea, maar den westelijken kant, gelijk het bijgevoegde Galilea der heidenen duidelijk maakt. Want dit laatste is de naam van het noordelijk deel dierzelfde landstreek, aldus geheeten (vgl. Jos. XII 23), omdat zij door velen uit de aangrenzende heidenen bevolkt was (in plaats van den genitief Galilcece, leest men beter, evenals bij Matth. IV 15, Galilaa, een bijstellenden nominatief). Die landstreek is in den eersten tijd, d. i., om de volgende tegenstelling met den laatsten tijd, in het tijdperk vóór den Messias, gering geacht, d. i. veracht en vernederd; want zij stond meer bloot aan de invallen der noordelijke vijanden, werd door Teglatphalasar ontvolkt (IV Reg. XV 29) en was om

de daar wonende heidenen en om andere redenen door de overige Israëlieten veracht. Doch in het tijdperk van den Messias, zal die landstreek boven andere in hoog aanzien komen. Hoe dit geschieden zal, wordt gezegd in v. 2.

') In de schaduw, die de dood van zich afwerpt, m. a. w. in de dikste duisternis van allerlei jammer, van onwetendheid en zonde. Dat groot licht is Emmanuel, wiens geboorte in v. 6 bezongen wordt, die, «het licht der volken is» (XLII 6; vgl. Joan. VIII12) en inzonderheid in Galilea het licht zijner prediking deed schijnen; zie de vervulling Matth. IV 14—16.

*) De zin is: Voorheen hebt Gij, o God, het volk van Galilea wel talrijk gemaakt, maar niet gelukkig, integendeel. Doch door de komst van den Messias verblijden zij zich enz. Naar de Hebr. kantlezing, door het gezag van de Grieksche, de Syrische en de Chaldeeuwsche vertaling aanbevolen, zonder het ontkennende niet: «Vermeerderd hebt Gij het volk en de blijdschap verhoogd», d. i. door de prediking van den Messias zal aldaar het getal zijner leerlingen vermeerderd en hunne vreugde over de blijde verlossing verhoogd worden. Deze vreugde wordt dan door twee vergelijkingen verklaard.

•) Het juk van zijnen last, d. i. het lastige, zware juk, de roede, waarmede

Sluiten