Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Et sciet omnis populus Ephraim, et habitantes Samariam in superbia et magnitudine cor dis dicentes:

10. Lateres ceciderunt, sed quadris lapidibus aedificabimus: sycomoros succiderunt, sed cedros immutabimus.

11. Et elevabit Dominus hostes Rasin super eum, et inimicos ejus in tumultum vertet: IV Reg. XVI9.

12. Syriam ab oriente, et Philisthiim ab occidente: et devorabunt Israël toto ore. In omnibus his non est aversus furor ejus, sed adhuc manus ejus extenta:

13. Et populus non est reversus ad percutientem se, et Dominum exercituum non inquisierunt.

14. Et disperdet Dominus ab Israël caput et caudam, incurvantem et refrenantem die una.

15. Longaevus et honorabilis, ipse est caput: et propheta docens mendacium, ipse est cauda.

16. Et erunt, qui beatificant popu-

des Heeren zich richt tegen geheel Israël, inzonderheid tegen het Tienstammenrijk. In vier strophen, die telkens met een refrein sluiten, schildert de profeet het zedenbederf en het komende wraakgericht (IX 8—X 4). — Een woord, door de bediening van Isaiae gezonden over Jacob, het geheele uitverkoren volk, is gevallen op datzelfde volk, Israël, dat om zijne schuld de verdervende kracht van Gods dreigend woord zal ondervinden.

') Weten door ondervinding zal het geheel het volle, inzonderheid Ephraim, het Tienstammenrijk.

I0) De Assyriërs hadden de steden van het noordelijk rijk met hare gebouwen en het land met zijn geboomte reeds deerlijk gehavend (IV Reg. XV 29); maar in trotschen overmoed achtten zij zich ruimschoots in staat die Schade rijkelijk te herstellen. Wilde vijgeboomen leveren een minder goede houtsoort dan de harde ceders.

") Hier spreekt weder de profeet.

9. En weten zal het geheel het volk, Ephraïm9) en Samaria's bewoners, die in hoovaardij en in hoogheid des harten zeggen:

10. Tichelsteenen zijn gevallen, maar met gehouwen steenen zullen wij opbouwen; wilde vijgeboomen hebben zij omgehouwen, maar ceders zullen wij in de plaats zetten10).

11. En verheffen zal de Heer de vijanden van Rasin over hem11), en zijne bestrijders zal Hij tot een woesten aanval wekken.

12. Syrië ten oosten en de Philistijnen ten westen en Israël zullen zij verslinden met vollen mond18). Bij dat alles heeft zich zijn toorn niet afgewend, maar nog is zijne hand uitgestrekt.

137 ""En het volk keerde zich niet tot Hem, die het sloeg, en den Heer der heerscharen zochten zij niet18).

14. En verdelgen zal de Heer uit Israël kop en staart, den neerbuiger en den bedwinger1*) op één dag:

15. De hoogbejaarde en aanzienlijke, dat is de kop, en de profeet, die leugen leert, dat is de staart15).

16. En die dit volk gelukkig noe-

De vijanden van Rasin, den Syriër (VII 1), waren de Assyriërs (vgl. IV Reg. XVI 9). Over hem, d. i. over Ephraïm (v. 9).

'*) De Assyriërs zullen Syrië en Philistea, ook volgens het Assyrisch spijkerschrift de bondgenooten van Israël, eerst aangrijpen en daarna ook Israël met vollen mond, d. i. met vraatzucht als wilde dieren, verslinden, m. a. w. zijn rijkdom plunderen, zijn volksbestaan vernielen.

") De tuchtiging bereikte haar doel niet; om Israël's hardnekkigheid te buigen waren strengere straffen noodzakelijk. Den Heer zoeken is zich met een boetvaardig hart tot Hem wenden, vgl. Ps. XXXIII 5.

") Hebr.: «palmtak en bies», wat hetzelfde beteekent als het voorafgaande kop en staart, zie v. 15. Vgl. XIX 15.

u) Zij heeten de staart, daar zij zich keeren naar iederen wind en vleiend om gunst en belooning bedelen, gelijk de kwispelstaartende hond.

Sluiten