Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lum istum, seducentes: et qui beatificantur, praecipitati.

17. Propter hoe super adolescentulis ejus non laetabitur Dominus: et pupillorum ejus, et viduarum non miserebitur: quia omnis hypocrita est et nequam, et universum os locutum est stultitiam. In omnibus his non est aversus furor ejus, sed adhuc manus ejus extenta.

18. Succensa est enim quasi ignis impietas, veprem et spinam vorabit: et succendetur in densitate saltus, et convolvetur superbia fumi.

19. In ira Domini exercituum conturbata est terra, et erit populus quasi esca ignis: vir fratri suo non pareet.

20. Et declinabit ad dexteram, et esuriet: et comedet ad smistram, et non saturabitur: unusquisque carnem brachii sui vorabit: Manasses Ephraim, et Ephraim Manassen, simul ipsi contra Judam.

21. In omnibus his non est- arersus furor ejus, sed adhuc manus ejus extenta.

") Die verleiders zijn de valsche profeten. In het Hebr. meer algemeen: «de volksleiders, zijn verleiders geworden en de geleiden worden verdwaalden».

") Noch de blijdschap, die de aanblik van krachtige jongelingen gewoonlijk veroorzaakt, noch het medelijden, dat het lot van weezen en weduwen pleegt op te wekken, zal den vertoornden God tot eene mildere straf, tot verschooning bewegen, dewijl allen door en door bedorven zijn.

1S) De goddeloosheid van Israël is oorzaak van zijn ondergang; als zoodanig wordt zij vergeleken met een geweldigen brand, die alles, de lage

men, zijn verleiders; en die geluk kig genoemd worden, vallen in den afgrond16).

17. Daarom zal over deszelfs iongelingen de Heer zich niet verblijden, en over deszelfs weezen en weduwen zal Hij zich niet ontfermen, dewijl ieder huichelaar is en booswicht, en alle mond dwaasheid spreekt17). Bij dat alles heeft zich zijn toorn niet afgewend, maar nog is zijne hand uitgestrekt.

18. Want ontstoken als een vuur is de goddeloosheid, distelen en doornen zal zij verslinden, en zij zal ontstoken worden in het dichte des wouds, en opdwarrelen zal een trotsche rookzuil18).

19. Door de gramschap van den Heer der heerscharen is het land ontredderd, en het volk is als een spijze des vuurs19); de man spaart zijnen broeder niet;

20. en men wendt zich naar rechts en hongert nog, en eet naar links en wordt niet verzadigd20); ieder verslindt het vleesch van zijn eigen arm: Manasses Ephraïm en Ephraïm Manasses, zij te zamen tegen Juda21).

21. Bij dat alles heeft zich zijn toorn niet afgewend, maar nog is zijne hand uitgestrekt.

distelen en doornen, de hooge wouden, in vlammen en rook doet opgaan.

") Hier is Gods gramschap de vlam, die land en volk verteert.

*°) EindeUjk zullen zij door burgeroorlog en broedertwist elkander verscheuren.

") Van zijn eigen arm, d. i. van zijnen broederstam, die hem als zijn eigen arm moest verdedigen: Manasse en Ephraïm waren broeders, zonen van Joseph. Waarschijnlijk ziet dit op de samenzweringen en koningsmoorden in Israël te dien tijde, zie IV Reg. XV 30. Tegen het uitverkoren Juda, den koninklijken stam, zijn zij het eens.

Sluiten