Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oculorum ejus. IV Reg. XIX 35; Infra XXXVII 86.

13. Dixit enim: In fortitudine manus meae feci, et in sapientia mea intellexi: et abstuli terminos populorum, et principes eorum depraedatus sum, et detraxi quasi potens in sublimi residentes.

14. Et invenit quasi nidum manus mea fortitudinem populorum: et sicut colliguntur ova, quae derelicta sunt, sic universam terram ego congregavi: et non fuit qui moveret pennam, et aperiret os, et ganniret.

15. Numquid gloriabitur securis contra eum, qui secat in ea? aut exaltabitur serra contra eum, a quo trahitur? quomodo si elevetur virga contra elevantem se, et exaltetur baculus, qui utique lignum est.

16. Propter hoe mittet dominator Dominus exercituum in pinguibus ejus tenuitatem: et subtus gloriam ejus succensa ardebit quasi combustio ignis.

17. Et erit lumen Israël in igne, et Sanctus ejus in flamma: et succendetur, et devorabitur spina ejus, et vepres in die una.

Assur en over de praal van de trotschheid zijner oogen11).

13. Want hij zegt: Door de kracht mijner hand heb ik het volvoerd, en door mijne wijsheid handelde ik verstandig; en ik nam de grenspalen der volkereu weg, en hunne vorsten plunderde ik, en ik haalde als een machtige neder hen, die zetelen in den hooge.

14. En als een vogelnest bemachtigde mijne hand de kracht der volkeren; en gelijk men verlaten eieren inzamelt, zoo heb ik, ik zelf, de gansche aarde bijeengeraapt; en niet één was er, die een vlerk verroerde en den bek opendeed en piepte1*).

15. Zal dan de bijl roemen tegen hem, die daarmede houwt? Of zal de zaag zich verheffen tegen hem, door wien ze getrokken wordt? Als hief zich een roede op tegen hem, die haar opheft, en verhief zich een stok, die toch maar hout is13)!

16. Daarom zal de Opperheer^de Heer der heerscharen, onder zijne vetgemesten magerheid zenden; en onder zijne heerlijkheid zal ontstoken worden en gloeien een brand van vuur14)

17. En het licht van Israël zal zijn tot een vuur en zijn Heilige tot een vlam, en het zal ontstoken worden, en verslonden zullen worden zijne doornen en distelen op één dag15).

") Al zijne werken, d. i. de tuchtiging van Sion en Jerusalem door Assur. Aan de vrucht, te weten zijne verwaandheid, die zich openbaart in de godlasterende woorden van v. 10, 11, en aan de praal of het praalvertoon van dien trotschaard, wiens hoogmoed zich verraadt in zijne oogen. Assur's pralende hoogmoed wordt v. 13, 14 nogmaals met zijne eigen woorden geschilderd.

") Op die godtergende taal ant-

wnnrrlt. Ac. nrofeet in V. 15.

") Hebr.: «als zwaaide een staf dengene die hem opheft, als hief een stok dengene op, die geen bout is». De vergelijkingen toonen, hoe dwaas het pochen is van Assur tegen Jehova, in |

wiens hand hij slechts een werktuig is ter tuchtiging.

") De Opperheer enz.: tegenover het met zijne macht pralende Assur staat de volle titel van Jehova's heerlijkheid. De vetgemesten, d. i. de machtige legerhoofden, zal God doen wegkwijnen en Assur's heerlijkheid, zijn beroemd leger, geheel en plotseling, als door een geweldigen brand, vernietigen. Sennacherib's val vóór Jerusalem kon niet treffender geschilderd worden; zie XXXVII 36.

**) Jehova, het licht van Israël (vgl. Ps. XXVI 1), die voor zijn volk de bron is van alle goed, die, als de Heilige, zijn eer niet ongewroken kan laten verguizen, zal voor het godlasterend

Sluiten