Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30. Hinni voce tua filia Gallim, attende Laisa, paupercula Anathoth.

31. Migravit Medemena: habitatores Gabim confortamini.

32. Adhuc dies est, ut in Nobe stetur: agitabit manum suam super montem filiae Sion, collem Jerusalem.

33. Ecce dominator Dominus exercituum confringet lagunculam in terrore, et excelsi statura succidentur, et sublimes humiliabuntur.

34. Et subvertentur condensa saltus ferro: et Libanus cum excelsis cadet.

| 30. Schrei luidkeels, dochter Gallim! Geef acht Laïsa! Arm Anathoth*6)!

31. Uitgeweken is Medemena ! Bewoners van Gabim, hebt moed*7)!

32. Nog een dag is het, dat men stelling neemt op Nobe28)! Hij zwaait zijne hand tegen den berg der dochter Sion, den heuvel van Jerusalem29).

33. Zie, de Opperheer, de Heer der heerscharen zal het kruikje Verbrijzelen door verschrikking; en de rijzige stammen zullen omgehouwen en de verhevene naar omlaag gehaald worden.

34. En neergeveld zal worden het dichte des wouds met staal, en de Libanon zal met de hooge vallen80)!

CAPUT XI.

HOOFDSTUK XI.

De Messias, de zoon van David, toegerust van gerechtigheid en vrede (v. 1—10),

1. Et egredietur virga de radice Jesse, et flos de radice ejus ascendet. Act. XIII28.

2. Et requiescet super eum spiritus Domini: spiritus sapientiae, et intellectus, spiritus consilii, et fortitudinis, spiritus scientiae, et pietatis,

Fül, eene het Benjaminietische gebied bestrijkende hoogte, vereenzelvigt.

") Geef acht op den aanrukkenden vijand. Anathoth, het tegenwoordige Anata, drie vierde uurs noordelijk van Jerusalem (Jer. II).

") Hebt den moed om u althans door de vlucht te redden. De hier genoemde plaatsen lagen vermoedelijk ten noorden van Jerusalem.

**) Waarschijnlijk eene hoogte ten noorden van Jerusalem, van waar hij op de stad neerzag. Vgl. I Reg. XXI1.

m) De korte, afgebroken stijl wordt bier plotseling breed en statig. Het is alsof de profeet de gerustheid wil uitdrukken, waarmede het heilige en door

met de gaven van den H. Geest, koning verlosser van zijn volk (v. 11—16).

1. En een rijsje zal ontspruiten uit den wortel van Jesse, en een bloem zal uit zijnen wortel opstijgen1).

2. En op hem zal rusten de geest des Heeren, de geest der wijsheid en des verstands, de geest des raads en der sterkte, de geest der wetenschap en der godsvrucht;

Gods beloften veilige Sion den heiligschennenden aanslag van Assur afwacht.

*°) Het kruikje enz., m. a. w. even gemakkelijk zal de Almachtige dat trotsche leger vernietigen; eene zinspeling op Gedeon Judic. VII. Naar het Hebr.: «Zie, de Opperheer... zal de takken afhouwen met geweld, en de rijzige stammen zullen... en de Libanon valt door een Machtige»; het leger van Assur wordt evenals v. 18 vergeleken met een machtig woud, dat door God zal worden neergehouwen. Zie de vervulling XXXVII 36.

*) In treffende tegenstelling met het neergevelde trotsche cederwoud, een

Sluiten