Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

manum, et ingrediantur portas duces.

3. Ego mandavi sanctificatis meis, et vocavi fortes meos in ira mea, exsultantes in gloria mea.

4. Vox multitudinis in montibus, quasi populorum frequentium: vox sonitus regum, gentium congregatarum: Dominus exercituum praecepit militiae belli,

5. Venientibus de terra procul, a summitate cceli: Dominus, et vasa furoris ejus, ut disperdat omnem terram.

6. Ululate, quia prope est dies Domini: quasi vastitas a Domino veniet.

7. Pr op ter hoe, omnes manus dissolventur, et omne cor hominis contabescet,

8. Et conteretur. Torsiones et dolores tenebunt, quasi parturiens, dolebunt: unusquisque ad proximum suum stupebit, facies combustae | vultus eorum.

baar zijn,-ondanks de overeenkomst in taal en stijl met de overige profetieën van Isaias.

*) Volgens de Vulgaat kan men bij dat teeken op een donkeren berg denken aan een seinvuur, dat des nachts boven op dien berg ontstoken wordt; volgens het Hebr.: «een banier», die op den top van «een kalen berg» wordt geheschen om aan de legers der tegen Babyion door God samengeroepen volken de richting naar Babyion te toonen, zie V 26; XI 10, 12. Door dat teeken, door luid geroep, door wuiven met de hand worden zij derwaarts ontboden, «opdat zq binnentrekken in de vorstelijke poorten» (Hebr.) der koninklijke stad Babyion.

*) Mijne gewijden, d. i. de door Mij uitverkorenen tot den heiligen krijg tegen mijne vijanden; mijne helden, geroepen ter volvoering van het werk mijner gramschap. Zij juichen over de heerlijkheid, die Mij, hunnen veldheer, door hunne wapenen zal te beurt vallen.

steekt de hand omhoog en laat de aanvoerders de poorten binnentrekken2) !

3. Ik, Ik heb mijne gewijden gelast en mijne helden geroepen in mijne gramschap, zij juichen om mijne heerlijkheid1).

4. Geschal der menigte op de bergen als van talrijke volkeren! Geschal van het gedruisoh van koningen, van verzamelde volksstammen*)! De Heer der heerscharen voert bevel over het krijgsleger,

5. over hen, die komen uit een ver land, van het uiteinde des hemels5). De Heer is het en de werktuigen zijner gramschap, opdat Hij de gansche aarde verderve6)!

6. Jammert, want nabij is de dag des Heeren, als verwoesting vanwege den Heer zal hij komen7)!

7. Deswege zullen alle handen slap worden, en alle menschenhart zal wegsmelten

8. en vermorzeld worden8). Krampen en weeën zullen hen bevangen, als een barende zullen zij pijn lijden, ieder zal zijnen evenmensch verstomd aanstaren, vlammende aangezichten hun gelaat9).

*) Vgl. Joël II 2. Van de bergen ten noordoosten van Babyion weerklinkt reeds het geschal der talrijke legerscharen, welke volkeren en koningen (Hebr. «koninkrijken») omvatten.

6) Waar de hemel of het uitspansel de aarde schijnt te raken en zijn uiteinde te hebben.

*) De Heer komt ten gerichte en met Hem de werktuigen enz., d. i. zijne legerscharen, de uitvoerders zijner wraak, opdat Hij de gansche aarde enz.; hiermede gaat de profeet over tot de aankondiging van het algemeene wereldgericht, dat zich in de straf over Babyion en verder in de geschiedenis der eeuwen gedurig openbaart en door het laatste oordeel zal besloten worden (v. 6—13). Vgl. Joël II noot 12. ^) Zie Joël I 15.

8) Slap, door schrik voor den naderenden rechter verlamd. Het hart, de Hebr. benaming voor den zetel van verstand en wil, zal wegsmelten, d. i. alle doorzicht en wilskracht verliezen.

") Verstomd aanstaren, van schrik

Sluiten