Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT XVII. HOOFDSTUK XVII.

Godspraak over Damascus-Israël: het lot dezer bondgenooten (v. 1—6), oorzaak van Israël's jammeren (v. 7—11), wraak over zijne verwoesters (v. 12 14).

1. Onus Damasci. Ecce Damascus desinet esse civitas, et erit sicut acervus lapidum in ruina.

2. Derelictae civitates Aroer gregibus erunt, et requiescent ibi, et non erit qui exterreat.

3. Et cessabit adjutorium ab Ephraim, et regnum a Damasco: et reliquiae Syriae sicut gloria filiorum Israël erunt: dicit Dominus exercituum.

4. Et erit in die illa: attenuabitur gloria Jacob, et pinguedo carnis ejus marcescet.

5. Et erit sicut congregans in messe quod restiterit, et brachium ejus spicas leget: et erit sicut quaerens spicas in valle Raphaim.

6. Et relinquetur in eo sicut racemus, et sicut excussio oleae duarum vel trium olivarum in summitate

i tl Last van Damascus1). Zie, Damascus zal ophouden eene stad te zijn, en het zal' worden als een hoop steenen in puin.

2. Verlaten zullen worden de steden Aroër en aan de kudden ten deel vallen, en die zullen daar legeren, en er zal niemand zijn, die ze verstoort2).

3. En ontvallen zal de steun aan Ephraïm en het koningschap aan Damascus, en de overblrifselen van Syrië zullen als de heerlijkheid der kinderen van Israël zijn, zegt de Heer der heerscharen8).

4. En het zal zijn te dien dage: tanen zal de heerlijkheid van Jacob, en de vetheid van zijn vleesch zal vermageren4).

5. En het zal zijn als wanneer iemand in den oogst verzamelt wat overbleef en zijn arm aren leest, en het zal zijn als wanneer iemand aren zoekt in het dal Raphaim5).

6. En wat aan hem overblijft zal zijn als een druiventros en als een geknuppelde olijfboom: twee

*) Ofschoon deze profetie niet minder Israël, dan Damascus, de hoofdstad van Syrië, betreft, wordt dit laatste alleen genoemd, omdat in den SyrischEphraïmietischen oorlog, toen waarschijnlijk deze last over Syrië en Israël werd uitgesproken, Damascus den toestand beheerschte. Zie VII 1—9. — De godspraak tegen Damascus werd vervuld door Teglathphalasar; hij zelf heeft die zegepraal in zijne spijkerschriftoorkonden opgeteekend. Ook hij was het, die Israël tuchtigde: zie IV Reg. XV 29; I Par. V 26.

s) Er waren in het Overjordaansche gebied twee steden Aroër, de eene oostelijk van Rabbath Ammon (Jos. XIII 25), de andere aan den Arnon (Jos. XII 2). Zij vertegenwoordigen dat geheele gebied en zijn gekozen wellicht, omdat in dien naam eenigszins klankspeling ligt op het Hebr. woord, dat

ontblooting beteekent. Anderen zien in Aroër geen eigennaam, maar vertalen: «de steden der ontblooting», d. i. de verwoeste steden van Syrië. In die van inwoners verlaten en verwoeste streek zullen de kudden grazen.

") De steun van Ephraïm of Israël is Damascus. Uit VII 8, 9; VIII 7 blijkt, wat er van Israël's heerlijkheid worden zal.

') Het tegendeel van X 27 zal dan geschieden. De heerlijkheid van Jacob of Israël, het Tienstammenrijk, is zijn talrijke bevolking, zijn leger enz., aanstonds met een nieuw beeld de vetheid van zijn vleesch geheeten.

6) Het zal met Israël gaan als met een afgeoogst graanveld, welks achterblijvende aren zorgvuldig worden opgeraapt. Het dal Raphaïm, zuidwestelijk van Jerusalem (Jos. XV 8), was rijk aan korenvelden.

Sluiten