Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Et clamavit leo: Super speculant Domini ego sum, stans jugiter per diem: et super custodiam meam ego sum, stans totis noctibus. Hab. II1.

9. Ecce iste veniet ascensor vir bigae equitum, et respondit, et dixit: Cecidit, cecidit Babyion, et omnia sculptilia deorum ejus contrita sunt in terram. Jer. LI 8; Apoe. XIV 8.

10. Tritura mea, et filii areae mess, quae audivi a Domino exercituum Deo Israël, annuntiavi vobis.

11. Onus Duma ad me clamat ex Seir: Custos quid de nocte? custos quid de nocte?

12. Dixit custos: Venit mane et nox: si quaeritis, quaerite: convertimini, venite.

13. Onus in Arabia. In saltu ad

het leger der Medo-Perzen verzinnebeeld; paarden, ezels en kameelen behoorden werkelijk tot den legertros der Heden en iElamieten, zooals later tot dien der Perzen; zie XXII 6; Herod. 1, 80; 4, 129.

8) De wachter riep: Een leeuw is in aantocht! een alarmkreet aan het herdersleven ontleend; zie XV 9.

9) Lang en aanhoudend blijft de wachter uitzien, wat dat onafzienbare leger zal verrichten.

10) Zie v. 7. Volgens den grondtekst tiet hij nu datzelfde leger (zie noot 7) in zijne nabijheid voorbijtrekken.

") Hij, de wachter, antwoordde, d. i. gaf bescheid aan God, door wien hij op wacht gesteld was, en boodschapte den val van Babyion, het werk van dat ontzaglijke leger.

") De voorafgaande voorspelling van Babel's val werd door den profeet aan zijn volk geboodschapt om het te troosten; medelijdend noemt hij het mijne dorsching of, wat hetzelfde beteekent, kinderen van mijn dorschvloer, omdat het op last van God als graan op den dorschvloer door Babel zou gedorscht worden.

l8) Seir is een bergland ten zuiden van de Doode Zee, bewoond door de

8. En hij riep: een leeuw8)! Op den wachttoren des Heeren ben ik en sta ik voortdurend over dag; en op mijne wacht ben ik en sta ik gansche nachten9).

9. Zie, daar komt de berijder, de man van het tweespan10), en hij antwoordde en zeide: Gevallen, gevallen is Babyion, en al zijne godenbeelden liggen vergruizeld ter aarde11).

10. Gij, mijne dorsching en kinderen van mijn dorschvloer, wat ik gehoord heb van den Heer der heerscharen, den God van Israël, heb ik u aangekondigd18).

11. Last van Duma. Tot mij roept men uit Seïr18): Wachter, hoe ver is de nacht? Wachter, hoe ver is de nacht14)?

12. De wachter zeide: De morgen komt en de nacht; zoo gij vraagt, vraagt, keert weder, komt15)!

13. Last op Arabië. In het woud

Edomieten (Gen. XXXII 3; XXXIII 14); Duma, dat Gen. XXV 14 de naam is van een der zonen van Ismaël, schijnt hier zinnebeeldig gebruikt om Edom te beteekenen; het beteekent doodsche stilte en is dus onheilspellend.

") Uit zijn gebergte Seïr richt Edom zich tot Sion, en wel tot den daar door Jehova gestelden wachter, Isaias, om van hem, die aan Edom zijne rampen voorspeld had, te vernemen, hoe ver de nacht van rampspoed, waarin Edom zich thans bevond, reeds gevorderd was, en wanneer de morgen van verlossing zou aanlichten.

'*) Een raadselachtig antwoord. Waarschijnlijk is de zin: de morgen der verlossing komt voor sommigen, voor anderen blijft de nacht voortduren. Zoo gij vraagt en u tot Jehova wilt wenden, vraagt met aandrang; zoodra gij aldus gestemd zijt, keert dan weder tot Sion, komt tot Jehova. Volgens anderen: de morgen is aangebroken voor anderen, maar voor Edom is het nog nacht. Wanneer die zal ophouden, is nog niet geopenbaard. Een ander maal mogen zij terugkeeren en opnieuw vragen; nu echter is er geen ander antwoord te geven.

Sluiten