Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Et terra infecta est ab habita-

toribus suis: quia transgressi sunt leges, mutaverunt jus, dissipaverunt fcedus sempiternum.

6. Propter hoe maledietio vorabit terram, et peccabunt habitatores ejus: ideoque insanient cultores ejus, et relinquentur homines pauci.

7. Luxit vindemia, infirmata est vitis, ingemuerunt omnes qui ltetabuntur corde.

8. Cessavit gaudium tympanorum, quievit sonitus laetantium, conticuit

dulcedo citharae.

9. Cum cantico non bibent vinum: amara erit potio bibeutibus illam.

10. Attrita est civitas vanitatis, clausa est omnis domus nullo introeunte.

11. Clamor erit super vino in plateis: deserta est omnis laetitia: translatum est gaudium terrse.

12. Relicta est in urbe solitudo, et calamitas opprimet portas.

13. Quia haec erunt in medio terras, in medio populorum: quomodo si pauesB olivse, qua) remanserunt, excutiantur ex olea: et racend, cum fuerit finita vindemia.

«) Door de zonden der menschen is de aarde bezoedeld (vgl. Num. XXXV 33 • Ps. CV 38; Jer. lil 2) en komt «het schepsel onder de dienstbaarheid der vergankelijkheid» Rom. VIII 21. Het eeuwige verbond, dat den mensch krachtens zijne natuur aan God verplicht en door de stem van het geweten aan hem geopenbaard wordt. .

») De vervloeking, de openbaring van Gods toorn, is als een verslindend vuur gedacht. Onder de slagen van Gods toorn zondigen hare bewoners door wanhoop en godslastering, Hebr.: «boeten hare bewoners». Zinneloos van pijn.

Weinige uitverkorenen, zie v. 14, 15.

") De uitwerkselen van het godsgericht op de aarde. Dergelijke straffen

5. En de aarde werd bezoedeld door hare bewoners; want overtre** den hebben zij de wetten, verkeerd het recht, vernietigd het eeuwige verbond4).

6. Daarom verslindt vervloeking de aarde, en zondigen hare bewoners; daarom worden hare bebouwers zinneloos, en büjven weinige menschen over5).

7. De druivenoogst treurt* de wijnstok verkwijnt, zuchten slaken allen, die blijde van harte waren6).

8. Weg is de verlustiging der pauken, stil de luidruchtigheid der fustigen, verstomd de zoetheid der harp.

9. Zij zullen onder gezang geen wijn meer drinken, bitter zal de drank zijn voor die hem drinken7).

10. Geslecht is de stad der ijdelheid, gesloten is elk huis, en niemand treedt er binnen8).

11. Geschrei over den wijn is er op de straten, geweken is alle blijdschap, verbannen de verlustiging des lands.

10 A/»VitArfrAhlfiven is in de stad

verlatenheid, en jammer drukt op de poorten.

13. Want zóó zal het zijn te midden der aarde, te midden der volken, als wanneer de weinige olijven, die zijn overgebleven, afgeslagen worden van den olijfboom, en de druiventrossen, wanneer de wijnoogst voorbij is9).

troffen niet zelden het wijnbouwende Israël; zie Joël I 10, 12.

*) Eensklaps, te midden der aardsche geneugten, zal de komst van den Rechter de wellustelingen verrassen en alle vreugde in droefheid veranderen; vgl. Matth. XXIV 37—39; I Thess. V 3.

sv r>„ <,*/,// der iidelh.ei.d. of der ledig¬

heid, de van inwoners verlaten steden (het enkelvoud voor het meervoud). Volgens niet weinigen wordt door die stad, met toespeling op de wereldstad Babel, de zondige wereld voorgesteld, welke inderdaad louter ijdelheid is en van deugd en waarheid ledig.

*) Vul aan': «worden afgeplukt»; Hebr.: «als bij de nalezing, wanneer

Sluiten