Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Hi levabunt vocem suam, atque laudabunt: cum glorificatus fuerit Dominus, hinnient de mari.

15. Propter hoe in doctrinis glorificate Dominum: in insulis maris nomen Domini' Dei Israël.

16. A finibus terras laudes audivimus, gloriam justi. Et dixi: Secretum meum mihi, secretum meum mihi, vas mihi: prasvaricantes prasvaricati sunt, et prasvaricatione transgressorum praevaricati sunt.

17. Formido, et fovea, et laqueus super te, qui habitator es terras.

18. Et erit: Qui fugerit a voce formidinis, cadet in foveam: et qui se explicaverit de fovea, tenebitur laqueo: quia cataractas de excelsis apertae sunt, et concutientur fundamenta terras. Jer. XLVIII 44.

19. Confractione confringeturterra,

14. Dezen verheffen hunne stem en jubelen; wijl de Heer zich verheerlijkt heeft, juichen zij van de zee uit10).

15. Daarom verheerlijkt in de leeringen11) den Heer, op de eilanden der zee den naam des Heeren, den God van Israël!

16. Van de uiteinden der aarde hooren wij lofzangen, de verheerlijking van den gerechte. En ik sprak: Mijn is mijn geheim, mijn is mijn geheim, wee mij! De trouweloozen hebben ontrouw gepleegd, en met trouweloosheid van overtreders hebben zij ontrouw gepleegd12).

17. Schrik en kuil en strik13) over u, die bewoner zijt der aarde!

18. En het zal zijn: wie vlucht voor den kreet der verschrikking, valt in den kuil; en wie zich ontworstelt aan den kuil, wordt gevangen in den strik; want de watersluizen van hierboven zijn geopend, en de grondvesten der aarde schokken14).

19- Barstend barst de aarde, scheu-

de herfst voorbij ia»; zie XVII 5, 6. Gering zal het getal uitverkorenen zijn (vgl. v. 6). Te midden enz. beteekent in den mond der Hebreërs: op de aarde, onder de volken; zoo vertaalt de Vulgaat Gen. XLV 6, Deut. IV 5 het Hebr. te midden des lands door in het land.

10) Dezen, die weinige uitverkorenen. Zich verheerlijkt heeft door de openbaring zijner gerechtigheid. Van de zee uit, d. i. van de verst afgelegen overzeesche landen.

") In de openbaringen of de daden van Gods gerechtigheid, die voor den mensch als zoovele leeringen zijn; het Hebr. beteekent waarschijnlijk: «in de lichtstroken», d. i. in het oosten, dat door het zonlicht eerst bestraald wordt; hier tegenover staan de eilanden der zee voor het verre westen.

") Wij hooren uit den mond der i of zingende uitverkorenen van v. 14 het loflied ter verheerlijking van den gerechte, d. i. van den door God gerechtvaardigden mensch, van het ware volk Gods: Hebr. «den gerechte zij lof». De profeet echter kan niet mede¬

jubelen, daar hij rondom zich. het tegendeel van gerechtigheid ziet, en dus weet, dat aan de openbaring dier verheerlijking nog een vreeselijk geriekt over de gansche wereld moet voorafgaan. Daarom klaagt hij: Mijn is mijn geheim, waarschijnlijk de hem gedane openbaring betreffende de menigte der zondaren, die door het gericht zullen omkomen; dat gezicht doet hem wee; Hebr.: «Helaas mij, helaas mij, wee mij»! Klagend legt hij vervolgens den nadruk op de trouweloosheid van zoo tallooze overtreders.

") Zinnebeelden van het eeuwig verderf. Zie «Ter. XLVIH 43, 44.

") De zondaren zullen op geene wijze aan hunne gerechte straf ontkomen (vgl. Am. V 19), want hemel en aarde zullen tot hun verderf samenspannen (Sap. V 21), geluk ten tijde van den zondvloed (Gen. VII 11; VIII 2); van boven komt een watervloed, van onderen schudt en beeft de aarde. Dit wordt in v. 19, 20 aanschouwelijk gemaakt door de zinnebeeldige voorstelling van het wereldgericht.

Sluiten