Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11. Domine exaltetur manus tua, et non videant: videant, et confundantur zelantes populi: et ignis hostes tuos devoret.

12. Domine dabis pacem nobis: omnia enim opera nostra operatus es nobis.

13. Domine Deus noster, possederunt nos domini absque te, tantum in te recordemur nominis tui.

14. Morientes non vivant, gigantes non resurgant: propterea visitasti et contrivisti eos, et perdidisti omnem memoriam eorum.

15. Indulsisti genti Domine, indulsisti genti: numquid glorificatus es ? elongasti omnes terminos terr®.

16. Domine in angustia requisierunt te, in tribulatione murmuris doctrina tua eis.

17. Sicut qua concipit, cum appropinquaverit ad partum, dolens

11. Heer, al verheft zich uwe hand, en al zien zij het niet, zien moeten zij en te schande worden de benijders des volks; en het vuur vertere uwe vijanden")!

12. Heer, Gij zult ons vrede geven ; want al onze werken hebt Gij volbracht voor ons18),

13- Heer, onze God, bemachtigd hebben ons gebieders buiten U; alleen in U mogen wij uwen naam gedenken14).

14. Dat de dooden niet leven, dat de reuzen niet opstaan; daarom hebt Gij'hen bezocht en verdelgd, en uitgeroeid geheel hunne nagedachtenis1*).

15. Gh zijt genadig geweest voor het volk, o Heer, genadig geweest voor het volk! Hebt Gij u niet verheerlijkt? Verwfl* hebt gij al de grenzen des lands16).

16. Heer, in de benauwdheid hebben zij u gezocht, in bedruktheid bq dof gesteen gewerd hun uwe onderrichting17).

17. Gelijk eene zwangere, als zij de baring nabij is, van wee bevan-

tijden, pleegde hij onrecht, ondanks de heilige wetten en goede voorbeelden; wordt hij niet door de strafgerichten des Heeren met vreeze bevangen, dan ziet hij ook thans niet om naar de heerlijkheid des Heeren, d. i. heeft geen ontzag voor Gods majesteit.

") Duidelijker in het Hebr.: «Heer, uwe hand is verheven (uw strafgericht dreigt) en zij zien het niet; zien zullen zij tot hunne beschaming den ijver voor het volk (d. i. Gods liefde voor zijn volle, welke zich openbaart in de straffen over diens haters), ja het vuur zal uwe vijanden verteren».

") Hier spreekt weder het vertrouwen der rechtvaardigen. Wat God in het verleden reeds voor zijn volk gedaan heeft (onze werken, d. i. Gods werken voor ons), is hun een waarborg, dat Hij ook in het vervolg vrede (zie v. 8) zal schenken.

") Ook andere heidensche gebieders (waaronder wellicht ook afgoden begrepen zijn) hebben wij gehad, maar op

hen konden wij niet roemen; integendeel, zij brachten ons onheil; alleen in U, met U vereenigd, gedenken, d. i roemen wij op uwen naam, zie noot 9.

) Hebr.: «De dooden zullen niet meer leven, de schimmen niet weder opstaan», d. i. de in het doodenrijk nedergedaalde verdrukkers, zie XIV 9 zullen, door Gods almacht voor immer verdelgd, niet meer op de aarde terugkeeren. De vrede is derhalve aan zifn volk verzekerd.

") God was voor zijn volk genadig, door het, zooals de grondtekst zegt, te doen aangroeien en de grenzen van zijn Rijk uit te breiden; hierdoor heeft Hij zich verheerlijkt.

") Terugkeerend tot het gezegde in v. 8, 9, toont de profeet, dat het lijden eene leerschool was ter onderrichtinq m vertrouwen en liefde tot God. De opeenhooping van rampen verstikte net luide schreien In een dof gesteen. Hebr. in 166: «zij stortten een stil gebed, toen uwe kastijding hen trof.»

VI

8

Sluiten