Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18. Propterea exspectat Dominus ut misereatur vestri: et ideo exaltabitur parcens vobis: quia Deus judicii Dominus: beati omnes qui exspectant eum.

19. Populus enim Sion habitabit in Jerusalem: plorans nequaquam plorabis, miserans miserebitur tui: ad vocem clamoris tui statim ut audierit, respondebit tibi.

20. Et dabit vobis Dominus panem arctum, et aquam brevem: et non faciet avólare a te ultra doctorem tuum: et erunt oculi tui videntes prseceptorem tuum.

21. Et aures tua? audient verbum post tergum monentis: Hsbc est via, ambulate in ea: et non dëclinetis neque ad dexteram, neque ad sinistram.

22. Et contaminabis laminas sculptilium argenti tui, et vestimentum conflatilis auri tui, et disperges ea sicut immunditiam menstruatae. Egredere, dices ei:

23. Et dabitur pluvia semini tuo,

") Evenals XXIX 5 herhaalt de Profeet onverwachts de belofte van redding. Daarom, wijl de tuchtiging In Gods bedoding strekt ter bekeering (vgl. I 27), wacht de Heer met vurig verlangen (volgens de kracht van het Hebr. woord) den tijd af, waarop Hij zich over Juda mag ontfermen: hierdoor zal de Heer zich verheffen, want nergens schittert Gods grootheid meer dan in zqne barmhartigheid. HIJ is een God des gerichts, d. i. een rechtvaardig God, zoo voor hardnekkigen als voor boetvaardigen. Gelukkig dus allen, die op Hem wachten, d. i op

iJ? *Seen hun vertrouwen stellen. ) Het volk van Sion, aldus geheeten, omdat Gods belofte aan Sion de reden is, waarom Hij Jerusalem tegen den Assyriër zal beschermen. Hebr • «want een volk zal in Sion wonen, in Jerusalem».

18. Daarom wacht de Heer om zich over u te ontfermen, en derhalve zal Hij, u sparend, zich verheffen; want een God des gerichts is de Heer. Gelukkig allen, die op Hem wachten18)!

19. Want het volk van Sion zal wonen in Jerusalem1»); weenen neen, niet meer zult gij weenen;' ontfermend zal Hij zich over u ontfermen; op de stem van uw geschrei, zoodra Hij het hoort, zal Hij u antwoorden.

20. En de Heer zal u afgepast brood geven en karig water en met meer zal Hij uwen Ieeraar'zich voor u doen verbergen, en uwe oogen zullen uwen leermeester zien20).

21. En uwe ooren zullen het woord hooren van hem, die u volgend vermaant: Dit is de weg, wandelt daarop en wijkt niet af noch ter rechter noch ter linkerhand21).

22. En gij zult voor onrein houden de zilveren platen van uw gesneden en het gouden bekleedsel van uw gegoten beeldwerk, en gij zult ze wegwerpen als de onreinheid van die de maandstonden heeft Weg er mede, zult gij daartegen zeg°gen22). s ë

23. En regen zal worden gegeven

*°) Bij de aanstaande belegering zal God het toch niet laten ontb?ekén°aan het noodzakelijke levensonderhoud; vgl. III Reg. XXÏI 27. Dan zullen uwé profeten, uwe leeraars, zich niet uit gebrek aan willige hoorders schuil houden, maar u troosten en met raad en daad bijstaan. Vgl. XXXVII 2, 6

) Het woord van den godsg'ezant, die als een trouwe herder ach-

aanwTt? ^ en den

n) Een geheelen omkeer zal die tuchtiging teweegbrengen. Zoozeer zullen

win V»™epfe ^oderii verafschuwen dat zn Set züveren en gouden bekleedsel hunner uit hout, steen of onedele metalen gemaakte beelden (vgl. ^ o \ r?,00 het kostbaarste daarvan, als wettelijk onrein, ja als vuilnis zullen wegwerpen.

Sluiten