Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33. Praeparata est enim ab heri Topheth, a rege praeparata, profunda, et dilatata. Nutrimenta ejus, ignis et ligna multa: flatus Domini sicut torrens sulphuris succendens eam.

33. Want bereid sedert gisteren is een Topheth, door den koning bereid, diep en breed. Zijn voedsel is vuur en veel hout; net blazen des Heeren is als een stroom van zwavel, die het in brand steekt31).

CARUT XXXI. HOOFDSTUK XXXI.

Egypte's hulp is ijdel (v. 1—4), de Heer zelf zal hulp verleenen (v- 5—9).

1. Vse qui descendunt in iEgyptum ad auxilium, in equis sperantes, et habentes fiduciam super quadrigis, quia multas sunt: et super equitibus, quia praevalidi nimis: et non sunt confisi super sanctum Israël, et Dominum non requisierunt.

2. Ipse autem sapiens adduxit malum, et verba sua non abstulit: et consurget contra domum pessimorum, et contra auxilium operantium iniquitatem.

3. ^Bgyptus, homo, et non Deus:

1. Wee hun, die naar Egypte afdalen om hulp, zich op rossen verlatend en op strijdwagens vertrouwen stellend, omdat zij vele zijn, en op ruiters, omdat zij machtig zijn uitermate; en die niet steunen op den Heilige van Israël en naar den Heer niet vragen1).

2. Maar Hij is wijs en doet het onheil komen, en zijne woorden neemt Hij niet terug; en Hij staat op tegen het huis der snoodaards en tegen de hulpverleening der boosdoeners8).

3 De Egyptenaar, mensch is hij

"') Want, de profeet verklaart, dat Assur's val is vastgesteld (v. 32), daar God van voorlang (sedert gisteren) voor al zijne vijanden een Topheth. d. i. eene plaats bereid heeft, alwaar zij in het vuur van Gods wraak zullen branden; dat vuur is bereid door den hemelschen koning, door God, Hebr. «voor den koning» van Assur. Topheth in het dal Ben-Hinnom (waarvan gehenna, d. i. hel, is afgeleid), nabij Jerusalem, was eene plaats van vervloeking geworden ten gevolge van Achaz' misdrijf, die aldaar in den gloeienden Moloch kinderen deed verbranden IV Reg. XXIII 10; vgl. Jer. VII 31, 32. Dat Topheth, een treffend zinnebeeld van de plaats der eeuwige vervloeking, is diep en breed en kan dus vele slachtoffers bevatten; het blazen van den vertoornden God, zijne gramschap, is als een stroom van zwavel, die het, d. i. dien brandstapel, fel doet branden.

') De voornaamste krijgsmacht van Egypte bestond in ruiterij en strijdwagens; vgl XXXVI 9; Exod. XIV 9; XV 4; III Reg. X 28; Jer. XLVI 4, 9; Cant. I 8. Ook Juda had zich, in strijd met zijne roeping en met de gesteldheid van zijn bergachtig land, ten tijde van Joatham op die wijze uitgerust (Zie II8, noot 5) en stelde ook thans al zijn vertrouwen op de Egyptische ruiterij en strijdwagens tegenover diezelfde krijgsmacht van Assyrië; zie V 28.

*) M a. w. meende die Egyptische partq in Juda wijs te handelen, God, de Alwijze, doet, ondanks hunne vermeende wijsheid, het over hen beschikte onheil komen Zoowel die snoodaards, die afvalligen van Juda, als het hulp verleenende Egypte zal Hij straffen. Zijne woorden van waarschuwing en bedreiging, eene ergernis voor die waanwijzen, neemt Hij niet terug; integendeel, Hij laat ze zijnen profeet (v. 3—5) herhalen.

Sluiten