Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11. Et possidebunt illam onocrotalus, ot ericius: ibis, et corvus habitabunt in ea: et extendetur super eam mensura, ut redigatur ad nihilum, et perpondiculum in desolationem.

12. Nobiles ejus non erunt ibi: regem potius invocabunt, et omnes principes ejus erunt in nihilum.

13. Et orientur in domibus ejus spin», et urtica», et paliurus in munitionibus ejus: et erit cubile draconum, et pascua struthionum.

14. Et occurrent daemonia onocentauris, et pilosus clamabit alter ad alterum: ibi cubavit lamia, et invenit sibi requiem.

15. Ibi habuit foveam ericius, et enutrivit catulos, et circumfodit, et fovit in umbra ejus: illuc congregati sunt milvi, alter ad alterum.

16. Requirite diligenter in libro I Domini, et legite: unum ex eis non defuit, alter alterum non quaesivit: quia quod ex ore meo procedit, ille mandavit, et spiritus ejus ipse congregavit ea.

17. Et ipse misit eis sortem, et manus ejus divisit eam illis in/mensuram: usque in aeternum possidebunt eam, in generationem et generationem habitabunt in ea.

g}L T^;¥? 20r22; XIV 23; Soph. iVf,116' Hebr- «jansóf», hier en Lev. XI 17, Deut. XIV 16 door Vulgaat en Septuag. met ibis, een watervogel reiger, vertaald, is volgens de Chald' paraph. en de meeste nfeuweren een soort van uil. Meetsnoer en paslood, werktuigen ter opbouwing, zullen door UOd gebezigd worden ter vernietiging en Ier verwoesting; want deze zal geschieden naar maat en regel van strenge rechtvaardigheid. Vgl. XXVIII 17

") EdonPs ondergang is ook daarom onherstelbaar, omdat zijne edelen en vorsten zullen vernietigd zijn; in den nood zal men vergeefs roepen omeenen koning. Hebr.: «zijne edelen — aldaar 1

11. En bezit daarvan nemen pelikaan en egel; reiger en raaf zullen daar huizen; en daarover zal gespannen worden het meetsnoer ter vernietiging en het paslood ter verwoesting10).

12. Zijne edelen zullen daar niet meer zijn; om eenen koning zullen zij veeleer roepen, en al zijne vorsten zullen te niet gaan11).

13. En in zijne huizen schieten doornen op, en netels en distelen in zijne vesten, en het wordt een leger voor de draken en een weide voor de struisen.

14. En de duivelen ontmoeten er de onocentauren, en woudgeesten roepen elkander toe; daar legert het nachtspook en vindt er zline rustplaats12). '

15. Daar heeft der egel zijn hol en voedt zijne jongen en wroet in het rond en koestert ze in diens schaduw18); daar verzamelen zich de ?ieren> de eene bij den anderen.

16. Onderzoekt naarstiglijk in het boek des Heeren en leest: niet één hunner ontbrak, de eene mist den anderen met; want wat van mijnen mond uitgaat, heeft Hij gelast, en zijn geest zelf heeft ze bijeengebracht. 6

17. En Hij zelf heeft voor hen het lot geworpen, en zijne hand heeft het hun toebedeeld naar het meetsnoer ; voor eeuwig zullen zij het bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daar wonen14).

zullen zij geen koning meer uitroepen»; vgL Gen. XXXVI noot 11.

■) Zie over de uiteenloopende vertaling en de beteekenis der Hebr. namen van dieren XIII noot 15. Duivelen en onocentauren is overgenomen uit de Septuagint. Voor lamia heeft de grondtekst lilith, volgens de fabels der rabbijnen een vrouwelijk nachtspook, dat het vooral op kinderen gemunt heeft s

") Hebr.: «Daar nestelt de pijlslang fn legi ?i!eren en br<>edt ze uit en koestert (haar broed) in de schaduw» van haar hol.

") Het woord fs gericht tot hen, die den ondergang van Edom souden

10

Sluiten