Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT XXXVI.

HOOFDSTUK XXXVI.

Sennacherib's leger voor Jerusalem vordert hoonend en godslasterend de overgave der stad.

1. Et factum est in quartodecimo anno regie Ezechi», ascendit Sennacherib rex Assyriorum super omnes civitates Juda munitas, et cepit eas. IV Reg. XVIII13; II Par. XXXII1; Eeeli. XLVIH 20.

2. Et misit rex Assyriorum Rabsacen de Lachis in Jerusalem, ad regem Ezechiam in manu gravi, et stetit in aquaeductu piscinae superioris in via Agri fullonis.

3. Et egressus est ad eum Eliacim filius Helciae, qui erat super domum, et Sobna scriba, et Joahe filius Asaph a commentariis.

4. Et dixit ad eos Rabsaces: Dicite Ezechias: Haec dicit rex magnus, rex Assyriorum: Quae est ista fiducia, qua confidis?

5. Aut quo consilio vel fortitudine rebellare disponis? super quem habes fiduciam, quia recessisti a me?

6. Ecce confidis super baculum arundineum confractum istum, super jEgyptum: cui si innixüs fuerit homo, intrabit in manum ejus, et perforabit eam: sic Pharao rex iEgypti omnibus, qui confidunt in eo.

l) De profeet verhaalt hier de gebeurtenissen, welke in zijn eerste boek, vooral van hoofdstuk XXVIII af, voorspeld zijn: de tuchtiging van zijn volk door de Assyriërs en dezer plotselinge nederlaag voor Jerusalem. Over de aanleiding tot dien krijgstocht van Sennacherib is gesproken in de Inleiding bl. 17 aan het einde, over de gevolgen daarvan voor Juda en inzonderheid voor Jerusalem XXII noot 1 en XXX11I noot 1. Zie voor dit en het volgende hoofdstuk de aanteekeningen op IV Reg. XVIII 13—XIX 37, waar dit verhaal ongeveer in dezelfde woorden,

1. En het geschiedde in het veertiende jaar van koning Ezechias1), dat Sennacherib, de koning der Assyriërs, optoog tegen al de versterkte steden van Juda en ze innam.

2. En de koning der Assyriërs zond den Rabsaces*) van Lachis naar Jerusalem tot koning Ezechias met een sterke legermacht, en hij hield stand bij de waterleiding van den Oppervijver aan den weg van het Vollersveld3).

3. En Eliacim, de zoon van Helcias, de hofmeester, en Sobna, de schrijver, en Joahe, de zoon van Asaph, de kanselier, gingen tot hem.

4. En de Rabsaces zeide tot hen: Zegt aan Ezechias: Dit zegt de groote koning, de koning der Assyriërs: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt?

5. Of op welk plan of op welke kracht bereidt gij u tot opstand*) ? Op wien stelt gij vertrouwen, dat gij van mij zijt afgevallen?

6. Zie, gij stelt vertrouwen op dien gebroken rieten stok, op Egypte, Aio nis iemand daaroD leunt, in

zijne hand dringt en ze doorboort: zoo is Pharao, de koning van Egypte, voor allen, die op hem vertrouwen stellen!

met enkele bijzonderheden verrijkt, voorkomt. In het veertiende jaar moet waarschijnlijk staan aan het begin van hoofdstuk XXXVIII.

*) Rabsaces is de ambtsnaam van een krijgsoverste; het verhaal van IV Reg. noemt nog anderen.

*) Vgl. VII 3. Opmerkelijk is het, dat juist ter plaatse, waar Achaz, steunend op de hulp der Assyriërs, de reddende hand van Jehova ongeloovig had afgewezen, het legerhoofd der Assyriërs tegen Jerusalem stelling nam en koning en volk beschimpte.

*) Duidelijker ishier IV Reg. XVIII20.

Sluiten