Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eruens liberabit nos Dominus, non dabitur civitas ista in manu regis Assyriorum.

16. Nolite audire Ezechiam: haec enim dicit rex Assyriorum: Facite mecum benedictionem, et egredimini ad me, et comedite unusquisque vineam suam, et unusquisque ficum suam: et bibite unusquisque aquam cisternae suae,

17. Donec veniam, et tollam vos ad terram, quae est ut terra vestra, terram frumenti et vini, terram panum et vinearum.

18. Nee conturbet vos Ezechias, dicens: Dominus liberabit nos. Numquid liberaverunt dii gentium unusquisque terram suam de manu regis Assyriorum ?

19. Ubi est deus Emath, et Arphad ? ubi est deus Sepharvaim? numquid liberaverunt Samariam de manu mea?

20. Quis est ex omnibus diis terrarum istarum, qui eruerit terram suam de manu mea, ut eruat Dominus Jerusalem de manu mea?

21. Et siluerunt, et non responderunt ei verbum. Mandaverat enim rex, dicens: Ne respondeatis ei.

22. Et ingressus est Eliacim filius Helciae, qui erat super domum, et Sobna scriba, et Joahe filius Asaph a commentariis ad Ezechiam scissis vestibus, et nuntiaverunt ei verba Rabsacis.

') De Hebr. zegswijze facere benedictionem beteekent vriendschap of vrede sluiten, wat onder wederkeerige heilwenschen geschiedde.

8) In IV Reg. XVIII 32 wordt er

zeggende: Reddend zal de Heer ons verlossen; geenszins zal deze stad worden overgegeven in de handen van den koning der Assyriërs.

16. Luistert niet naar Ezechias, want dit zegt de koning der Assyriërs: Maakt met mij vriendschap7) en gaat uit tot mij en eet, ieder van zijnen wijnstok en ieder van zijnen vijgeboom, en drinkt, ieder het water van zijne bron,

17. totdat ik kom en u medeneem naar een land, dat is gelijk uw land, een land van koren en wijn, een land van brood en wijngaarden8).

18. Laat Ezechias u niet bedriegen, zeggende: De Heer zal ons redden! Hebben dan de goden der volkeren ieder zijn land gered uit de hand van den koning der Assyriërs?

19. Waar is de god van Emath en van Arphad? Waar is de god van Sepharvaim*)? Hebben zq10) Samaria gered uit mijne hand?

20. Wie is er onder al de goden dier landen, die zijn land gered heeft uit mijne hand, dat de Heer Jerusalem zou redden uit mijne hand?

21. En zij zwegen stil en antwoordden hem geen woord; want de koning had gelast, zeggende: Antwoordt hem niet!

22. En Eliacim, de zoon van Helcias, de hofmeester, en Sobna, de schrijver, en Joahe, de zoon van Asaph, de kanselier, kwamen tot Ezechias, met gescheurde kleederen, en boodschapten hem de woorden van den Rabsaces.

bijgevoegd: «een land van olijven en ohe en honig, en leven zult gij en niet sterven».

») Zie X 8—11.

") Zij, de goden van Samaria.

Sluiten