Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT XXXVII.

HOOFDSTUK XXXVII.

Isaias bemoedigt den koning (v. 1—7). Eisch van Sennacherib (v 8—IS) Gebed van Ezechias (v. 14—20). Laatste godspraak over de Assyriërs (v. 21—35). De vervulling (v. 86—38).

1. Et factum est, cum audisset rex Ezechias, scidit vestimenta sua, ot obvolutus est sacco, et intravit iu domum Domini. iv Reg. XIX1.

2. Et misit Eliacim, qui erat super domum, et Sobnam seribam, et seniores de sacerdotibus opertos saccis ad Isaiam filium Amos prophetam,

3. Et dixerunt ad eum: Haec dicit Ezechias: Dies tribulationis, et correptionis, et blasphemise dies haec: quia venerunt filii usque ad partum, et virtus non est pariendi.

4. Si quo modo audiat Dominus Deus tuus verba Rabsacis, quem misit rex Assyriorum dominus suus ad blasphemandum Deum viventem, et exprobrandum sermonibus, quos audivit Dominus Deus tuus: leva ergo orationem pro reliquiis, qua? repertae sunt.

5. Et venerunt servi regis Ez'echiae ad Isaiam.

6. Et dixit ad eos Isaias• Tfmi, \

dicetis domino vestro: Haec dicit Dominus: Ne timeas a facie verborum, quae audisti, quibus blasphemaverunt pueri «regis Assyriorum me.

7. Ecce ego dabo ei spiritum, et audiet nuntium, et revertetur ad terram suam, et corruere eum faciam gladio in terra sua.

8. Reversus est autem Rabsaces,

1. En het geschiedde1), toen koning Ezechias dit hoorde, scheurde hij zijne kleederen en hulde zich in rouwgewaad en ging in het huis des Heeren.

2. En hij zond Eliacim, den hofmeester, en Sobna, den schrijver en de oadsten der priesters, met rouwkleederen bedekt, tot Isaias

uoji zuuii van Amos, aen profeet.

3. En zij zeiden tot hem: Dit zegt Ezechias: Een dag van jammer en van tuchtiging en van beschimping is deze- dag; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht tot baren2).

4. Moge toch de Heer, uw God, de woorden hooren van den Rabsaces, dien de koning der Assyriërs, zijn heer, gezonden heeft om den levenden God te lasteren en te hoonen met woorden, welke de Heer uw God, gehoord heeft; zend derhalve hw gebed op voor de overblijfselen, die nog worden aangetroffen.

5. En de dienaren van koning Ezechias kwamen tot Isaias.

6. En Isaias zeide tot hen: Dit zult gij zeggen aan uwen heer: Dit zeet de Heer: VrA<u> nio* tan

aanzien der woorden, welke gij gehoord hebt, waarmede Mij gelasterd hebben de dienstknechten van i den koning der Assvria^a

7. Zie, Ik zal eenen geest in hem geven, en hij zal eene tijding vernemen, en hij zal terugkeeren naar zijn land, en Ik zal hem doen vallen door het zwaard in zijn land.

8. -De Rabsaces nu was terugge-

') Zie de aanteekcningen op IV Reg.

*) Wat Isaias voorspeld had VII17; Vin 8, 21, volg.; XXVIII 18; XXIX 10, volg.; XXXII 9, volg., was in ver¬

vulling gegaan. Zij waren als eene, die ondanks de barensweeën niet baren kan; van rampen overstelpt, zagen zij geen uitkomst.

Sluiten