Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

agnos, et in sinu suo levabit, foetas ipse portabit. Ez. XXXIV 23 et XXXVII 24; Joan. X 11.

12. Quis mensus est pugillo aquas, et. ccelos palnio ponderavit ? quis appendit tribus digitis molem terras, et libravit in pondere montes, et colles in statera?

13. Quis adjuvit spiritum Domini ? aut quis consiHarius ejus fuit, et ostendit illi ? Sap. IX 18; Rom. XI 34; I Cor. II 16.

14. Cum quo iniit consilium, et instruxit eum, et docuit eum semitam justitia?, et erudivit eum scientiam, et viam prudentie ostendit illi?

15. Ecce gentes quasi stilla situlae, et quasi momentum stater» reputatae sunt: ecce insulae quasi pulvis exiguus.

16. Et Libanus non sufficiet ad succendendum, et animalia ejus non sufficiënt ad holocaustum.

17. Omnes gentes quasi non sint, sic sunt coram eo, et quasi nihilum et inane reputatae sunt ei.

18. Gui ergo similem fecistis Deum ?

Hij de lammeren vergaderen, en in zijnen schoot zal HA ze opnemen, de zoogenden zal Hö «elf dragen8).

12. Wié9) heeft in de holle hand de wateren gemeten en de hemelen op de vlakke hand gewogen? Wie heeft aan zijne drie vingeren het gewicht der aarde gehangen en in een waag de bergen gewogen en de heuvelen in een schaal1*)?

13. Wie heeft den geest des Heeren geholpen11) ? Of wie is ana raadsman geweest en heeft Hem onderwezen?

14. Bij wien is Hij te rade gegaan, en wie heeft Hem onderricht ea Hem het pad des rechts1*) geleerd ea Hem ia de kennis ouderwezen ea dea weg des doorzichts aan Hem getoond?

15. Zie, de volken zijn als een druppel aan den emmer, en als een greintje in de weegschaal worden zij geacht; zie, de eilanden zijn als een weinig stof13)!

16. En de Libanon is niet toereikend ten brandstapel, en zija gedierte aiet toereikeod tea brandoffer11).

17. Alle volken, als waren zij niet, zóó zijn zij voor Hem, en als een niet en een ijdelheid worden zij voor Hem gerekend!

18. Aan wien dan hebt gij God

") Eene treffende schildering van den goeden Herder (Joan X 11), wiens heerschappij (v. 10) vol liefde en vaderlijke zorg is. In zijnen arm, vgl. Luc. XV 4, volg. De zoogenden enz., eene zinspeling op Gen. XXXIII 13.

V De eerste troostrede (v. 12—31) begint met een schildering van Gods almacht en wijsheid, welke inzonderheid in het werk der verlossing, de openbaring zijner heerlijkheid (v. 5), zal uitschitteren.

10) Antwoord: Geen sterveling, dat kan God alleen. De tweede vraag luidt in het Hebr.: «We omvatte in een drieling (Hebr. sjalisj, waarschijnlijk het derde eener epha, zie V noot 10) het stof der aarde?»

") Hebr.: «bestuurd», Septuag.: «ge¬

kend» of doorvorscht. Zie Rom. XI 84: I Cor. II 16.

") Het rechte pad, dat tot het beoogde doel leidt.

1) Als een greintje, hier genoemd als het kleinste gewicht, Hebr.: «als een stofje», worden zij door God geacht. De eilanden, d. i. het verre Westen, de eilanden en kustlanden aan de Middellandsche Zee en verder, «heft Hij od als stof» (Hebr.).

") Wat forsche schildering van Gods heerlijkheid! Wanneer al het gedierte van den Libanon in den brand van dat met wouden overdekte gebergte verteerde, ware dat grootsche altaar met die grootsche offerande nog te gering voor Gods majesteit!

Sluiten