Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aut quam imaginem ponetis ei? Act. XVII29.

19. Numquid sculptile conflavit faber? aut aurifex auro figuravit illud, et laminis argenteis argentarius?

20. Forte lignum, et imputribile elegit: artifex sapiens quasrit quomodo statuat simulacrum, quod non moveatur.

21. Numquid non scitis? numquid non audistis? numquid non annuntiatum est vobis ab initio? numquid non intellexistis fundamenta terras?

22. Qui sedet super gyrum terras, et habitatores ejus sunt quasi locustas: qui extendit velut nihilum ccelos, et expandit eos sicut tabernaculum ad inhabitandum.

23. Qui dat secretorum scrutatores quasi non sint, judices terras velut inane fecit:

24. Et quidem neque plantatus, nequë satus, neque radicatus in terra truncus eorum: repente flavit in eos, et aruerunt, et turbo quasi stipulam auferet eos.

gelijk gemaakt? Of welk beeld wilt gij in zijne plaats stellen15)?

19. Heeft niet de werkman het beeldwerk gegoten? En heeft niet de goudsmid het met goud overtrokken en met zilveren platen de zilversmid ?

20. Hard en onbederfelijk hout kiest hij uit16); de kundige werkman vraagt zich af, hoe het beeld te plaatsen, dat het niet wankelt.

21. Weet gij het niet? Hebt gij het niet gehoord? Is het u niet verkondigd van den beginne? Hebt gij geen acht gegeven op de grondvesten der aarde17)?

22. Die zetelt boven het gewelf der aarde, en hare bewoners zijn als sprinkhanen; die de hemelen uitspreidt als een niet en ze uitspant als een tent ter bewoning18)!

23. Die de doorgronders der geheimenissen stelt, als waren zij niet, de rechters der aarde als eene ijdelheid maakt19).

24. En niet eens geplant noch gezaaid noch geworteld in de aarde is hun stam; eensklaps heeft Hij geblazen op hen, en zij zijn verdord, en de stormwind voert hen als stoppelen weg20).

") Tegenover Gods heerlijkheid stelt I de profeet de dwaze en nietige afgoden ! (v. 18—20), ter beschaming zijner afgodische tijd- en volksgenooten.

ie) Hebr.: «wie te arm is voor zulk een offer (zulk een kostbaar beeld niet kan bekostigen), neemt onbederfelijk höut» enz.

") In de eerste en laatste vraag wijst de profeet op het licht der rede, waardoor zij uit de schepselen tot den Schepper konden opklimmen en uit de grondvesten, d» i. uit de grondvesting der aarde, den Schepper leeren kennen. De twee middelste vragen betreffen Gods openbaring: reeds van den beginne, b. v. in het eerste hoofdstuk van het boek der Schepping, was hun de Schepper van hemel en aaide verkondigd.

M) Rede en openbaring wijzen op een andere eerste oorzaak, dan op die nietige afgoden, op Hem, die daar

troont boven het gewelf, d. i. boven het uitspansel des hemels, dat de aarde omgeeft, en van waar de aardbewoners klein en nietig schijnen als sprinkhanen. Hij zelf heeft zich het uitspansel, dat Hij als een niet, d. i. zonder eenige moeite, Hebr.: «als een doek», uitspreidt (Gen. I 6—8), tot een heerlijke woontent gemaakt.

") De doorgronders enz., d. i. de waarzeggers, Hebr. en Septuag.: «de vorsten».

*°) M. a. w. nauwelijks heeft iemand op aarde zich tot eenige macht verheven, of God vernietigt die grootheid met een wenk zijner almacht. Evenals in v. 6—8 is hier de mensch als een plant of een boom gedacht en wordt op het haastig verwelken ten gevolge van den brandenden zuidoostenwind gezinspeeld.

Sluiten