Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Viderunt insulae, et timuerunt, extreme terrae obstupuerunt, appropinquaverunt, et accesserunt.

6. Unusquisque proximo suo auxiliabitur, et fratri suo dieet: Confortare.

7. Confortavit faber serarius percutiens malleo eum, qui cudebat tune temporis, dicens: Glutino bonum est: et confortavit eum clavis, ut non moveretur.

8. Et tu Israël serve mnns. .Tnnnh

quem elegi, semen Abraham amici mei:

9. In quo apprehendi te ab extremi» terr», et a longinquis ejus vocavi te, et dixi tibi: Servus meus es tu, elegi te, et non abjeci te.

10. Ne timeas, quia ego tecum sum: ne declines, quia ego Deus tuus: confortavi te, et auxiliatus sum tibi, et susoepit te dextera justi mei.

11. Ecce confundentur et erube-

5. De eilanden zagen het en vreesden, de uiteinden der aarde verstomden, zij naderden en kwamen toegeloopen5).' " ,

6. Een ieder komt zijnen naaste te hulp en zegt tot zijnen broeder: Schep moed!

7. De kopersmid, die den hamer hanteert,^ bemoedigt hem, die ter-

«mxucx nju smeeai, zeggende: Aan Soldeersel is het voortreffelijk; en met nagelen maakt hij het vast, opdat het niet wankele*). ?" En §9' Israël» mtfn dienstknecht, Jaoob, dien Ik heb uitverkoren, zaad van Abraham, mijnen vriend7),

9. in wien De u heb aangegrepen van de uiteinden der aarde en uit hare yerre gewesten u geroepen heb8), en Ik zeide tot u: Mijn dienstknecht zijt gij, Ik heb u uitverkoren en u met verworpen;

10. vrees niet, want Ik ben met u; wijk niet af, want De ben uw God; Ik sterk u en sta u bij, en u ondersteunt de rechterhand van mijnen gerechte9).

11. Zie, te schande en schaam-

(d. i. de eerste oorzaak van alles) en voor de laatsten ben Ik dezelfde», d. i. voor alle geslachten tot aan het einde de onveranderlijke God, de Bestuurder van alles, de bron van alle heil.

*) Met schrik zien de volken van het Westen (de eilanden, zie XL noot 18) het optreden van dien veroveraar. Zij naderen tot elkander om weerstand te bieden.

e) In den nood bemoedigen zij elkander, om hunne afgoden onwankelbaar vast te zetten of ook om nieuwe afgoden, helpers in den nood, te vervaardigen. Wat scherpe bespotting! — De godenbeelden werden veelal uit hout gemaakt en overtrokken met metalen platen, welke aan de einden werden vast gesoldeerd; met nagelen werd zulk een beeld op zijne plaats bevestigd. Vgl. XL 19.

') In v. 8—20 wordt het pleitgeding tusschen Jehova en de goden der he£ denen onderbroken door eene teedere toespraak, waarin Gód zijn volk troost en van zijnen bijstand verzekert. Eerst

noemt fflf v, 8> 9 de titelS) waarom Israël aanspraak mag maken op zijnen bijstand. Dienstknecht van Jehova heet Israël, omdat het tot den dienst des Heeren boven anderen was uitverkoren. Nog heden draagt Abraham bij de Arabieren den naam el chalil, d. f. de vriend. Hij was de vriend van God, pn» vertrouweling, de drager zijner heilbeloften. Vgl. II Par. XX 7; Jac.

8) In Abraham, in wiens lendenen Israël was besloten (Hebr. VII 10) had God zijn volk uit het afgelegen L.r «er Chaldeërs aangegrepen, eene uitdrukking, die Gods oppermachtige heerschappij in die uitverkiezing teekent. Hebr.: «gij (Israël), dien Ik heb aangegrepen, enz., wat op den uittocht uit Egypte ziet.

») d. i. yan Cyrus (v. 2), die op last van God Israël uit zijne ellende zal opheffen. Hebr.: «de rechterhand van mijne gerechtigheid», Septuag. «mijne gerechte», d. L mijne heilbrengende, rechterhand».

Sluiten