Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT XLV.

HOOFDSTUK XLV.

1. Haec dicit Dominus christo meo Cyro, cujus apprehendi dexteram, ut subjiciam ante faciem ejus gentes, et dorsa regum vertam, et aperiam coram eo januas, et portas non claudentur.

2. Ego ante te ibo: et gloriosos terra? humiliabo: portas aereas eonteram, et vectes ferreos confringam.

3. Et dabo tibi thesauros absconditos, et arcana secretorum: ut scias quia ego Dominus, qui voco nomen tuum, Deus Israël.

4. Propter servum meum Jacob, et Israël electum meum, et vocavi te nomine tuo: assimilavi te, et non cognovisti me.

5. Ego Dominus, et non est amplius: extra me non est Deus: ac- I cinxi te, et non cognovisti me:

1. Dit zegt de Heer tot mijnen f? ^, t,6' u ot Oynw, wiens rechterhand Ik heb gegrepen, om volken ten onder te brengen voor zijn aangezicht en koningen op de vlucht te drijven en deuren voor hem te openen, en geen poorten zullen gesloten blijven1).

2. Ik zal u voorafgaan, en de roemruchtigen der aarde zal Ik vernederen, metalen poorten zal

JerrekeS)elen ^ ^

3. En Ik zal u geven de verborgen schatten en wat heimelijk verholen is, opdat gij weten moogfc, dat De de Heer ben, die u bij name roep, He, de God van Israël,

4. om wille van mijnen dienstknecht Jacob en van Israël, mijnen uitverkorene»); en Ik riep u bil uwen naam, Ik gaf u eenen eernaam, en gij kendet Mij niet*).

5. Ik ben de Heer en er is geen andere; buiten Mij is er geen GodIk omgordde u, en gij kendet Mij met; '

-JL Hebr' en Syr.: «tot zijnen gezalfde», in denzelfden zin ais XLIV 28 «mnn herder», omdat Cyrus door God uitgerust- en als gezalfd was tot de koninklijke taak óm het raadsbesluit van God aan koningen en volkeren te voltrekken. Ook hier (zie XLTV 28) draagt Cyrus den naam van den Messias, dien hij voorbeduidt. Wiens rechterhand heb Ik gegrepen, d. i. dien Ik fo fe? ondersteund heb, zie XLI i»; XL.11 6, om «de heupen der koningen te ontgorden» (Hebr.), d. L om hen machteloos en weerloos te maken net tegendeeï van v. 5. '

*) In v. 2 begint de toespraak tot yyrus. God zal voor hem den wee oanen tot zijnen zegetocht. En de roemrucniigen enz., Hebr.: «en het hobbeüge zal ik effen maken», m. a. w. God zal de hindernissen voor zijn zegetocht uit den weg ruimen, wat vervolgens

I L 5°? andere heelden herhaald wordt. Volgens Herodotus 1, 179 had

XLfV 27 d metaltn Poften- Vgl.

*) De schatten van Babyion, in geheime plaatsen verborgen, vgl. Jer LI 18, en die van het rijke gardes in Lydië, vgl. Cyrop. 7, 2, 11. De Perzen werden door hunne veroveringen fabelachtig rijk; de door PJJnius (hist. I nat. JJ, 2) aangegeven som heeft men \ op ruim vijftien honderd millioen o-uli dfna. berekend. God schonk aan Cyrus al die njkaommen en overwinningen om wille van Israël, zie XLIV 28

«) Hebr. evenals XLIV 5: «met'een toenaam (te weten, mijn herder, mijn gezalfde) noemde Ik u, hoewei gij Mij met kendet»; want, al beleed Cyrus volgens v. 3 Jehova als den God van Israël (vgl I Esdr. I 2), toch erkende hij Hem niet als den eenig waren God,

Sluiten