Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11. Haec dicit Dominus sanctus Israël plastes ejus: Ventura interrogate me, super filios meos, et super opus manuum mearum mandate mihi.

12. Ego feci terram, et hominem super eam creavi ego: manus mess tetenderunt ccelos, et omni militiae eorum manda vi.

18. Ego suscitavi eum ad justitiam, et omnes vias ejus dirigam: ipse aedificabit civitatem meam, et eaptivitatem meam dimittet, non in pretio, neque in muneribus, dicit Dominus Deus exercituum.

14. Haec dicit Dominus: Labor ^gypti, et negotiatio ^Ethiopia?, et Sabaim viri sublimes ad te transibunt, et tui erunt: post te ambulabunt, vincti manicis pergent: et te adorabunt, teque deprecabuntur: Tantum in te est Deus, et non est absque te Deus.

15. Vere tu es Deus absc». aitus, Deus Israël salvator.

16. Confusi sunt, et erubuerunt omnes: simul abierunt in confusionem fabricatores errorum.

i«r.ikki11fenj, handeK even dw«as als ÏÏL™1 dat me* «ine ouders zou

™ ft mP-^Ï' waarom ** hem zóo> gelijk hij is, ter wereld gebracht heb-

ft DAU:ouuf' Septuag. .demoeder.. «„, .°?»®tro«fl'< Mij alleen. Beveelt enz., a. i. iaat aan mijne zorg en voor- i zienigheid over, hoe11 Ik zaf handelen ■ m?t mijn Israël. Vgl. XL 27, volg , ) Ik heb hem, Cyrus, verwekt (een ' bewijs van Gods liefde vóór zijn VouS 1 tot gerechtigheid, zie XLI noot 2. Zijne wegen enz., zie noot 2. Met voor losprijs, want Cyrus bedong geen geld « voor Israël's vrijlating, maar gaf zelfs geschenken voor den opbouw des tem- 1 Pels: vgL I Esdr. I 7, volg ■ P°°T de volvoering van Gods * raadsbeeluiten zal Cyrus gden weg belln V°- . d% uitbreWing der kennis van Israël's God onder de heidensche I

3 11. Dit zegt de Heer, de Heilige - van Israël, zijn Maker: Ondert vraagt Mij aangaande de toekomst; wat betreft mijne zonen en het werk mijner handen, beveelt het Mij aan10), i 12. Ik heb de aarde gemaakt, en den mensch daarop heb Ik geschapen; mijne handen hebben de hemelen uitgespannen, en over geheel hun heer voer Ik bevel, w. Ik heb hem verwekt tot gerechtigheid, en al zijne wegen maak Ik recht; hij zal mijne stad bouwen en mijne gevangenen vrijlaten, niet voor losprijs noch voor geschenken, «egt de Heer, de God der heerscharen11).

14. Dit zegt de Heer: Egypte's nijverheid en Ethiopië's handelsgewin en de Sabeërs, rijzige mannen, zullen tot u overgaan en de uwen zijn; achter u zullen zif schrijden, in handboeien gekluisterd zullen zij voorttreden; en voor u zullen zij zich nederbuigen en tot u smeeken: Alleen in u is God, en buiten u is geen God1*)!

15. In waarheid, Gij zijt een verborgen God, Gij, God van Israël. Verlosser13)!

16. Te schande en schaamrood worden allen, te gader gaan zij heen m beschaamdheid, de makers van dwaalgoden11).

volken, die weldra met hunne schatten tot Sion zullen opgaan (vgl. XXIII 18; LX 6: Agg. II 8 naar het Hebr.). -fioo zal Israël rijken buit en talrijke krijgsgevangenen, in geestelijken Sn, bekomen. Egypte, Ethiopië en Saba. die volgens XLIII 3 den Perzen als vergoeding voor Israël ten deel vallen, staan hier als vertegenwoordigers der vejst wonende heidensche volken. Aanbiddend zullen zij zich nederbuigen voor het geestelijk Israël om wille van God, die ui hetzelve woont. Vgl. Zach. Vin

") Een uitroep van bewondering. hen verborgen God, die op eene voor de menschen onnaspeurlijke wijze, vooral in het werk van 's menschen verlossing, handelt. "> Hebr.: «van afgodsbeelden».

Sluiten