Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Ecce in manibus meis descripsi te: inuri tui coram oculis meis semper.

17. Venerunt structores tui: de* struentes te, et dissipantes a te exibunt.

18. Leva in circuitu oculos tucs, et vide, omnes isti congregati sunt, venerunt tibi: vivo ego, dicit Dominus, quia omnibus his velut ornamento vestieris, et circumdabis tibi eos quasi sponsa. Infra LX 4.

19. Quia deserta tua, et solitudines tuae, et terra ruina? tuae nunc angusta erunt pra habitatoribu.s, et lohge fugabuntur qui absorbebant te.

20. Adhuc dicent in auribus tuis filii sterilitatis tua?: Angustus est mihi locus, fac spatium mihi, ut habitem.

21. Et dices in corde tuo: Quis genuit mihi istos? ego sterilis, et non pariens, transmigrata, et captivVr et istos quis enutrivit? ego

aes>iituta et sola: et isti ubi erant ?

22. Haec dicit Dominus Deus: Ecee levabo ad gentes manum meam, et ad populos exaltabo signum meum. Et afferent filios tuos in ulnis, et filias tuas super humeros portabunt.

) Volgens sommigen eene toespeling op de gewoonte om zich op banden of armen namen of symbolische teekenen tot onuitwischbaar aandenken in te snijden; daar dit echter aan Israël verboden was (Lev. XIX 28; XXI 5), is de beeldspraak waarschijnlijker ontvtq aan het TOOr8clirift van Deut. VI 8; XI 18. Het plan der nieuwe bionsstad, op Gods handen geteekend, beduidt zijne wakende zorg voor Sion's st0.ffelÜke-*n geestelijke herstelling.

. ) Dit beeld wordt LIV 2, 3 breeder uitgewerkt; val. Zach. X 10.

) De kinderen uwer onvruchtbaarheid, aan de vroeger onvruchtbare, zie

j 16. Zie, op mijne handen heb lk i u geteekend; uwe muren zijn voor

mijne oogen ie auen tijde").

17. Gekomen zijn die u zullen opbouwen; die u afbraken en verwoestten, zullen van u heengaan.

18. Sla uwe oogen op in het rond en zie, alle dezen verzamelen zich, zij komen tot u ! Zoo waar Ik leef, zegt de Heer, met hen allen zult gij u als met een praalgewaad bckleeden en u met hen omgorden als eene bruid.

19. Want uwe woestijnen en uwe wildernissen en uw in puin gelegd land zullen nu te eng zijn, vanwege de bewoners14); en verre zullen verdreven worden die u verslonden.

20. Nog zullen de kinderen uwer onvruchtbaarheid zeggen tot uwe ooren19): Te eng is mij de plaats, maak mij ruimte, dat ik wonen kan.

21. En gij zult zeggen in uw hart: Wie heeft mij dezen verwekt? Ik, ik was onvruchtbaar en niet barend, weggevoerd en gevangen! En dezen, wie heeft ze opgevoed ? Ik was

venaien en eenzaam! Jfin dezen, waar waren zij90)? 22. Dit-zegt de Heere God: Zie, Dt zal mijne hand opheffen naar de heidenen, en naar de volkeren zal Ik mijne banier opsteken. En zij zullen uwe zonen aandragen in de armen, en uwe dochteren zullen zij op de schouders aanvoeren91).

LIV 1, of liever, naar den grondtekst, aan de van hare kinderen (door de ballingschap) beroofde moeder Sion thans in menigte geschonken.

w) Onvruchtbaar en niet barend, Hebr.: *een (van kinderen) beroofde ea onvruchtbare». Die vragen drukken met recht Sion's verwondering uit over de menigte kinderen, welke naar niet op natuurlijke wijze «maar uit God geboren zijn» Joan. I 13. Vgl. Act. X 45; XV 3.

") Op een wenk van Gods hand stroomen de heidenen samen naar Sion, waar God zijne banier (de zichtbare Kerk) hoog geplant heeft; dezen voeren

Sluiten