Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23. Et erunt reges nutritii tui, et reginaa nutrices tu»: vultu in terram demisso adorabunt te, et pulveren» pedum tuorum lingent. Et scies quia ego Dominus, super quo non confundentur qui exspectant eum.

24. Numquid tolletur a forti praeda ? aut quod captum fuerit a robusto salvum esse poterit?

25. Quia haec dicit Dominus: Equidem, et captivitas a forti tolletur: et quod ablatum fuerit a robusto salvabitur. Eos vero, qui judicaverunt te, ego judicabo, et filios tuos ego salvabo.

26. Et cibabo hostes tuos carnibus suis: et quasi musto, sanguine suo inebriabuntur: et sciet omnis caro, quia ego Dominus salvans te. et redemptor tuus fortis Jacob.

23. En koningen zullen uwe pleegvaders zijn, en koninginnen uwe pleegmoeders; met het aangezicht ter aarde gebogen zullen zij u huldigen, en net stof Uwer voeten zullen zij lekken--). En gij zult weten, dat Ik de Heer ben, weshalve niet te schande zullen worden die Hem verbeiden23).

24. Zal dan aan den machtige zijn prooi worden ontnomen? Of zal, wat door den geweldenaar gevangen werd, bevrijd kunnen worden-4)?

25 Voorwaar, dit zegt de Heer: Gewis, ook wat gevangen werd, zal aan den machtige worden ontnomen ; en wat door den geweldenaar was weggeroofd, zal bevrijd worden ! Degenen echter, die u gericht hebben, zal Ik richten, en uwe kinderen zal Ik bevrijden25). 26. En spijzen zal De uwe vijanden met hun eigen vleesch; en als van most zullen zij van hun eigen bloed dronken worden; en alle vleesch zal weten, dat Ik, de Heer, uw Redder ben, en uw Verlosser de sterke van Jacob16).

de Sionskinderen van heinde cn verre aan. Met eene toespeling op de hulpverleening der heidenen bij den terugkeer van Israël uit Babyion (vgl. I Esdr. 12—4; IV) schildert de profeet de komst der heidenen naar het geestelijke Sion. Vgl. XI 12; LX 4.

") De grooten der aarde zullen met diepen eerbied aan Sion hunne geschenken en hunne beschermende hand aanbieden; zie Ps. LXXI 9; Mich. VII 17.

") Vgl. XL 31; Ps. XXIV 3.

**) Eene vraag van kleingeloovigen twijfel aan die alle menschelijke verwach4»ng overtreffende belofte. De mach'

tige en de geweldenaar is de, door Babyion afgebeelde, God weerstrevende macht des duivels en der zonde; vgl. Matth. XII 29. . t

**) Op die in v. 24 meer rhetorisch, dan werkelijk gestelde vraag antwoordt God met een beroep op zijne alles overwinnende almacht, die zal zegevieren ovèr de vijanden van zijn Rijk en hen straffen zal; vgl. LUI 12.

M) God zal de vijanden van zijn Rijk door onderlingen strijd elkander doen vernietigen. Vgl. IX 19; I Reg. XIV 20. Alle vleesch, zie XL 5. De sterke van Jacob, zie I 24.

Sluiten