Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

qui lassus est verbo: erigit mane, mane erigit mihi aurem, ut audiam quasi magistrum.

5. Dominus Deus aperuit mihi aurem, ego autem non contradico: | retrorsum non abii.

6. Corpus meum dedi percutientibus, et genas meas vellentibus: faciem meam non averti ab increpantibus, et conspuentibus in me. Matth. XXVI 67.

7. Dominus Deus auxiliator meus, ideo non sum confusus: ideo posui faciem meam ut petram durissimam, et scio quoniam non confundar.

8. Juxta est qui justificat me, quis contradicet mihi? stemus simul, quis est adversarius meus? accedat ad me.

9. Ecce Dominus Deus auxiliator meus: quis est qui condemnet me ? Ecce omnes quasi vestimentum conterentur, tinea. comedet eos.

10. Quis ex vobis timens Dominum, audiens vocem servi sui? qui ambulavit in tenebris, et non est lumen ei, speret in nomine Domini, et innitatur super Deum suum.

') Mij, den Messias, den Leeraar der volken. Den vermoeide, d. i. de door de zonde afgematte menschheid; vgl. Matth. XI 28. Het herhaalde des morgens, Hebr.: «eiken morgen», beteekent, dat God voortdurend hem onderricht, hem het oor wekt, d. i. hem zijne openbaring mededeelt. Want «gelijk de Vader het mH gezegd heeft, zoo spreek ik» Joan. XII 50. Vgl. Joan. V 19, 20; VII 16; VIII 26, 40; XIV 24; XV 15. Hebr. aan het slot: «opdat ik hoore naar de wijze der leerlingen».

•) De Heer heeft mij het oor geopend, om niet alleen zijne openbaring eerbiedig aan te hooren, maar ook zijne bevelen gewillig te volbrengen. Vgl. Matth. XX 28; Joan. XIV 31; Phil. II 8

5) Hebr. «Mijnen rug» gaf ik bereidwillig enz. Zie de vervulling Matth.

[ moeide wete te sterken met het woord; Hij wekt des morgens, des morgens wekt Hij mij het oor, opdat ik naar Hem hoore als naar den leermeester8).

5. De Heere God heeft mij het oor geopend, en ik, ik sprak niet tegen; ik week niet achterwaarts4).

6. Mijn lichaam gaf ik5) aan hen, die sloegen, en mijne wangen aan hen, die mij den baard uitrukten; mijn aangezicht wendde ik niet af van hen, die mij scholden en spuwden op mij.

7. De Heere God is mijn helper, daarom word ik niet beschaamd, daarom stel ik mijn aangezicht als een zeer harden steen; en ik weet, dat ik niet beschaamd zal worden6).

8. Nabij is Hij, die mij rechtvaardigt; wie zal met mij in geding komen ? Laat ons samen optreden! Wie is mijn tegenstander? Hij nadere tot mij7)!

9. Zie, de Heere God is mijn hel per; wie is er, die mij zal veroordeeIen? Zie, zij allen zullen verslijten als een kleed, de mot zal hen verteren8)!

10. Wie is er onder u, die den Heer vreest en luistert naar de stem van zijnen dienstknecht9)? Die wandelt in duisternis en geen licht heeft, hij vertrouwe op den naam des Heeren en steune op zijnen God!

XXVI 67; XXVII 30; Mare. XIV 65.

*) Omdat hij weet dat God hem in zijn lijden ondersteunt, vreest hij geen beschimping, maar vertoont op zijn kalm aangezicht te midden van de grootste versmading een onverwinlijke standvastigheid.

7) God is met zijne hulp nabij en zal hem rechtvaardigen, d. i. hem voor zijne rechtbank heilig en gerechtig verklaren. In die overtuiging daagt de Messias iederen tegenstander uit, om met hem voor Gods rechtbank op te treden, want niemand kan hem «van zonde overtuigen» Joan. VIII 46.

8) Zijne vijanden zullen vergaan als een kleed, dat door de mot verteerd wordt; vgl. LI 8.

B) De vraag voorspelt, dat slechts weinigen in Israël hem gehoor zullen ! verleenen.

Sluiten